Ik weet wat jij niet weet

Het was een klein plaatsje in het oosten van het land waar Johan woonde. Hij kwam bij me met de vraag of ik vond dat hij gek was. Deze vraag had hij herhaaldelijk aan zichzelf gesteld nadat ze hem opgesloten hadden. Hij had nu een weekeinde proefverlof en moest er op letten dat hij geen vreemde dingen zei die een jaar of drie terug waren begonnen toen hij dingen begon te zien die stonden te gebeuren. En dat ook naar voren bracht.

Zo bracht hij zijn buurman van slag door op te merken dat het zinloos was dat hij zijn auto stond te wassen, omdat er s avonds toch niets meer van over was. Wat hij gezegd had gebeurde diezelfde dag. Een vrachtwagen verloor een stapel stalen balken bij het nemen van een bocht waar juist zijn auto geparkeerd stond.

Nu kon deze voorspelling natuurlijk toeval zijn geweest. Maar niet in het plaatsje waar hij woonde en geboren was, want het vormde een hechte kerkgemeenschap met veel bijgeloof. En al spoedig deed het verhaal de ronde dat Johan bezeten was door het boze oog dat een ongeluk op je kon werpen. Zijn ouders zaten deerlijk met deze veronderstelling in hun maag en verboden Johan nog maar iets te zeggen waar het om ongelukken ging. Maar zijn bloed kroop toch waar het niet gaan kon en hij zei dat de supermarkt binnenkort in vlammen op zou gaan. Toen dit ook gebeurde werd hij opgepakt en van brandstichting beticht waarop een psychiatrisch onderzoek volgde. De wijze heren die hem onderzochten kwamen niet tot een eenduidig besluit en besloten hem langer vast te houden voor nader onderzoek. Bij een van de gesprekken die later volgden liet Johan zich ontvallen dat de vrouw van de psychiater die hem onderzocht het hield met een ander. Deze reageerde niet, maar ging er toch op letten. En wat bleek, Johan had het bij het rechte eind gehad.

Over de vermeende brandstichting werd niet meer gesproken en Johan werd kort nadien op vrije voeten gesteld. Maar helaas kon Johan het toch niet laten de dingen te zeggen die hij zag, al wist hij zelf niet hoe hij aan de antwoorden kwam.

Het was allemaal begonnen na zijn ongeval, toen hij met zijn brommer de bocht uitvloog en daarbij een paar dagen in coma raakte. Op school is het nadien ook niet meer zo goed gegaan en om reden dat hij daar op die manier nooit zijn diploma zou halen, werd hij door zijn ouders aan het werk gezet op de timmerfabriek. Daar waren ze kort na zijn aantreden ook niet echt blij met hem, want buiten zijn schuld om begonnen de mensen hem daar vragen te stellen die bij het uitkomen ervan ze lang niet even gelukkig maakten. Daarom gingen ze hem mijden en het bedrijf vond het niet langer verantwoord om hem in dienst te houden. Zijn ouders zaten met hem in hun maag, want een kind die dingen zei die hij niet weten kon, was beslist niet normaal te noemen. Op advies van de kerkraad hebben zijn ouders hem toen opnieuw op laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hier moest hij geruime tijd verblijven en had eens per week een praatje met een dokter, wat hem enorm frustreerde. Daar leerde hij zijn mond te houden en gewoon te doen, om het even wat hij ook zag. Hij kreeg toen spoedig weekeinden proefverlof.

Zo kwam hij tijdens zon weekeind bij mij terecht, waar hij mij zijn lief en leed vertelde. Echt helpen kon ik hem niet. Wel aangeven dat wat hij zag een gave was, maar nog veel mensen deed schrikken. Dat hij inderdaad beter zijn mond kon houden, hoe moeilijk dat ook soms voor hem was. En dat er beslist een tijd zou komen dat dit wel werd gewaardeerd. Eigenlijk ben ik hem uit het oog verloren, want ik heb hem nadien nooit meer gezien. Wel hoorde ik jaren later een verhaal van een jongeman met een Twents accent die in Duitsland woonde en zich daar verdienstelijk maakte bij een beveiligingsbedrijf en meestal voortijdig aan kon geven waar ingebroken werd. Hopelijk betreft het hier n en dezelfde persoon.
 

 
Suspense Publishing