Wonderlijkmaar
waar
Interviews, ooggetuigenverslagen en
reconstructies van wonderlijke maar ware gebeurtenissen binnen en buiten
Nederland. Verteld door mensen die het gezien of meegemaakt hebben. Plus andere
mysterieuze zaken, vreemde verschijnselen en bizarre feiten. De auteur, Ron Puyn
(verbonden aan onder meer Aktueel, Panorama, Nieuwe Revu, Margriet en
ParaVisie), bracht mysterieus Nederland in kaart. De waargebeurde verhalen in
deze bundels zijn een collectie van wat hij publiceerde in diverse boeken en
publieksbladen.
Wonderlijk maar waar I Een
kleine jongen met wonderbaarlijke visioenen. Het behekste polderhuis. Yvonne
beloofde na haar dood bij haar vriend John terug te komen en ze hield woord.
Tineke kwam mensen tegen die ze kende uit haar vorige leven? Een moeder hoorde
haar kind zeggen: mijn hartje deed het niet meer. Maar toen kwam ik bij jou in
de buik en begon mijn hartje weer te kloppen. Dominee Van Dam doet er iets bij
hij is exorcist. En een makelaar weet dat boze krachten heersen in een huis waar
iemand zichzelf heeft opgehangen.
Wonderlijk maar waar
II De 12-jarige Patrick werd achtervolgd door de Slechte Man. Harm
wist n ding zeker: Magere Hein zou hem om 16.15 uur komen ophalen. Een spook
in de grotten onder Maastricht. Een boerderij staat op vervloekte grond. De
Rotterdamse Marry moest zich uitkleden voor een zwarte magir. Een beschermengel
redde Nicole. En Jaap en Ria ontmoetten elkaar niet voor het eerst. Het bleek
dat ze al levens lang strijd hadden. In Frankrijk en op de Indiaanse prairie.
Zouden ze nu eindelijk dat mystieke gevecht kunnen
afsluiten?
Wonderlijk maar waar III Wat voor
ongewenste visite uit het hiernamaals kreeg de jonge Marion? Welk echt spook
zorgde voor angst op de set van de griezelfilm Doodeind? Welk echtpaar trouwde
drie keer met elkaar? Wie is de chirurg die niet tegen bloed kan? Waarmee houdt
de Vereniging van Ontgoochelden zich bezig? Waar woont Elvis Presley vandaag de
dag? Wat kan het Buro Boze Brieven voor je betekenen?
Uit boek
I
Tot de dood ons scheidt en daarna
Ze woonde in dezelfde straat als hij. Al langer had John een oogje
op haar. En zij op hem. Eigenlijk was het slechts een kwestie van tijd voor ze
elkaar zouden ontmoeten. Toen dat gebeurde, klikte het meteen. Een stormachtige
liefde bloeide op. Tot zon twee maanden later mysterieuze spaken in de
liefdeswielen gestoken werden. Ik zat op een avond wat TV te kijken, aldus
John. Ineens, echt zomaar, hoorde ik in mijn hoofd een stemmetje, dat zei:
Stop maar met Yvonne. Dit gaat niet goed. Kap met haar, nu het nog kan. Een
eigen gedachte was het niet. Ik begreep er niks van en dacht: waarom zou ik in
vredesnaam moeten kappen met Yvonne? Ik ben gek op haar en zij op mij! Waarop
dat stemmetje zei: Het zal mislopen. Nu kun je er nog een eind aan maken. Ik
kon het stemmetje niet van me afschudden. En in de dagen die volgden bleef het
erop aandringen dat ik het uit zou maken met Yvonne. Ik sprak er thuis over.
Daar snapten ze me net zo min als ik mezelf begreep. Die is gek, meende mijn
moeder. Enkele weken zou het vreemde stemmetje John blijven achtervolgen.
Toevallig of niet, was het ook een tijd waarin het wat minder ging tussen Yvonne
en hem. Zij is in een beschermd milieu opgevoed. Allerlei regeltjes en plichten
waren voor haar enorm belangrijk, terwijl ik dat soort dingen van nature aan
mijn laars lap. Als ik er zin in heb, wil ik mijn benen op tafel kunnen leggen.
Of met een kruimelende boterham de kamer in lopen. Zij had daar een hekel aan.
Wilde dat ik dan een bordje pakte. Over zulke kleinigheden hebben we best wel
moeilijkheden gehad. Af en aan ging het, tot haar onmacht zich te verenigen
met zijn vrijere levensstijl tot een eerste breuk leidde. Net voor ze op
vakantie zouden gaan, maakte ze een einde aan de relatie. Nauwelijks veertien
dagen later was het weer aan. Ze kon hem toch niet missen. Drie maanden later
hield John een verjaardagsfeestje, het begin van de tweede scheiding. Tijdens
die fuif gedroegen enkele van mijn toenmalige vrienden zich onbehoorlijk. Zelf
was ik het ook niet eens met wat ze flikten, maar zij raakte helemaal over haar
toeren. Die dingen doe je toch niet, riep ze. En daar had ze gelijk
in. Yvonne liep weg, maar toen John een week later belde, kwam ze toch weer
meteen terug. Alles werd opnieuw koek en ei, ondanks de spanningen die bleven.
Ze had twee kanten, dat werd me steeds duidelijker. Van de ene kant was ze een
geweldige, lieve meid, die alles voor je over had en zichzelf voor anderen kon
wegcijferen. Daarnaast bleef ze prikkelbaar door haar hang naar het volgen van
regeltjes. Die problemen losten we op, simpelweg omdat we van elkaar hielden.
Uiteindelijk leek ze toch wat losser te worden. Nadat we plannen hadden gemaakt
om een huis te laten bouwen, begon ze opgelaten te fantaseren dat ze straks
gewoon wilde doen wat ze leuk vond. Als ik op mijzelf woon, dan doe ik wat ik
leuk vind. En zaterdag is zaterdag, dan ga ik echt niet de hele dag poetsen,
vertelde ze opgewekt. Het scheen allemaal toch nog goed op zn pootjes
terecht te komen. John en Yvonne waren gelukkig met elkaar en nog slechts een
enkele keer kwam er een kink in de kabel. Tijdens een carnaval gedroeg ze zich
weer vreemd. Ze stond erop dat ik haar, temidden van vrienden en kennissen, zou
vertellen hoeveel ik om haar gaf. Dat doe ik straks wel, zei ik. Om nou ter
plekke een Romeo en Julia act op te voeren, daar voelde ik weinig voor. Ook was
Yvonne opeens ontzettend jaloers op een vriendin die ik ooit had gehad, voor ik
haar leerde kennen. Volkomen misplaatste jaloezie. Opnieuw was ze een tijdje
echt een mysterie. Vlak na die carnaval werd Yvonne grieperig. Ze was zich
niet lekker, had last van haar armen, en voelde een stekende pijn in haar hals.
John keek ernaar en merkte een knobbeltje op onder haar kin. Het ging niet beter
en na enkele dagen onderzocht een dokter haar. Die kon geen uitsluitsel geven en
gaf wat medicijnen mee. Als de pijn zou verergeren was misschien een
ziekenhuisopname nodig, vertelde hij. Ik dacht zeker nog niet aan iets
ernstigs, zegt John. Maar de pijn wrd erger en Yvonne moest opgenomen
worden. Op zekere dag werd ik op mijn werk gebeld door een verpleegster, die
zei dat de dokter van plan was bepaalde dingen te gaan doen. Het leek haar
raadzaam dat ik zelf even kwam. Nou, ik schrok me rot, haastte me naar het
ziekenhuis en vroeg Yvonne wat er aan de hand was. Ze zei dat men haar wilde
onderzoeken op Hodgkin. Een lympheklierkanker, mogelijk goedaardig, mogelijk ook
kwaadaardig. Nog steeds dacht John niet aan het ergste. Yvonne onderging een
onderzoeksoperatie om een diagnose te kunnen stellen. Hij wachtte de uitslag af.
Daags voor hij bericht zou krijgen, kwam John in de ziekenhuisgangen onverwacht
zijn buurman tegen. Ze praatten wat. Terloops maakte de buur melding van een
vrouwtje, Annie, die zich met alternatieve genezingen bezighield. John luisterde
met belangstelling, nam zich voor eens contact met haar te zoeken, en zou dat
diezelfde avond al doen, omdat zijn zorgen over Yvonne hem niet loslieten. Ik
kon meteen komen. Annie was heel vriendelijk en belangstellend. Ik vertelde haar
alles. Wijzend naar haar hart, vertelde zij me toen dat ze een goed gevoel her
had. Dat monterde John op, al zou zijn opluchting niet lang duren. Na het
bezoek aan de frle Annie ging hij terug naar het ziekenhuis, waar een andere
verpleegster een gesprekje met hem aanknoopte. Ze zei dat Yvonne erg ziek was.
Heel voorzichtig voegde ze eraan toe dat ze misschien beter zou worden, maar
misschien ook niet. Pas toen ik dt hoorde, stortte mijn wereld in. Ik ging
naar huis en kon mijn tranen niet bedwingen. Verslagen belde John Annie. Zij
leefde met hem mee en stelde voor Yvonne tenminste een rustige nacht te geven.
Daartoe moest John om stipt 22.15 uur aan zijn zieke vriendin denken. Annie zou
dan de rest doen. Ik ging om kwart over tien op bed zitten, concentreerde me op
Yvonne en plotseling, vreemd als het klinkt, voelde ik mijn hele onderlijf
verkrampen. Iedere spier stond gespannen als een vioolsnaar. Ik begon te
trillen, zo heftig dat zelfs het bed ging schudden. Wat me overkwam wist ik
niet, maar in ieder geval duurde het een tijdje voor ik weer controle kreeg over
mijn lichaam. Paniekerig belde ik vervolgens Annie, die me verzekerde dat wat ik
had meegemaakt niet ongewoon was. En toen ik de volgende dag bij Yvonne was,
beaamde ze een heerlijk kalme nacht gehad te hebben... Uren later werden de
resultaten van het Hodgkin onderzoek op tafel gelegd. De waarheid bleek nog
erger te zijn dan wat de verpleegster al aan John had laten doorschemeren. Het
gezwel in Yvonne was kwaadaardig en bovendien ongemeen hard groeiend. Artsen
konden niets meer doen. Ze gaven Yvonne nog een week, hooguit twee weken te
leven. Het zouden niet meer dan drie dagen worden, zegt John. Alles ging
ontzettend snel. Hoe ik zelf op die diagnose reageerde? Geschrokken, dat wel.
Maar ik trok niet meer van verdriet de haren uit mijn hoofd. Door het
verpleegstertje, en Annie, was ik onderhand wel voorbereid op dit nieuws. Ik
accepteerde Yvonnes dood niet, maar had wel meer berusting. Als het niet anders
was, dan moest het maar zo. John bracht een nieuw bezoek aan Annie en kreeg
meer van haar te horen. Ze noemde zich een poortwachtster. Met stervende mensen
kon ze een stukje mee naar hierboven gaan. Ook Yvonne zou ze de weg naar de
dood iets makkelijker maken. Over haar zei ze verder nog dat ze een meisje was
met een speciale begaafdheid. Nu was ze met een zware, hele zware strijd bezig,
en daarin moest ik haar steunen. Hoewel het stervende meisje niet meteen was
ingelicht over haar ziekte, voelde zij aan wat haar te wachten stond. De avond
nadat de diagnose bekend was geworden, stond ze er plotsklaps op om bediend te
worden. Zo geschiedde, en aan het eind praatten Yvonne en John nog wat na. Ze
hield zich enorm sterk. Ofschoon ze verging van de pijn, en ook steeds vaker
wegzakte, liet ze dat zo min mogelijk merken. Dat maakte die bediening een
feest, allerminst een treurige aangelegenheid. Alles wat nog gezegd moest
worden, wrd ook gezegd. Op een gegeven moment zei ik dat ik wist dat ze met een
zware strijd bezig was. Hoe weet jj dat? vroeg ze, verwonderd. Alsof die
woorden voor haar een diepere betekenis hadden. Een betekenis waar Annie
misschien op had gewezen, maar die mij ontging. Doet er niet toe, ik weet het,
zei ik. Zij knikte en zei: Ik hou zoveel van je. Met jou wil ik verder. Ik
blijf bij je. Ik meende toen echt dat ze nog hoopte uit het ziekenhuis te
komen, om samen met mij in ons eigen huisje te wonen en verder te gaan. Achteraf
bleek dat niet zo te zijn... De doodswake begon. John bleef bij zijn
vriendin en zag hoe de laatste uren voor haar dood alle fasen uit haar leven,
als wilde golven, door haar heen spoelden. Ze deed soms kinderlijk, dan rijp
als een oude vrouw. Ik moest de kamer verlaten, dan schreeuwde ze dat ik me
terug moest haasten. Af en toe mocht ik haar niet aanraken, dan wilde ze me
juist knuffelen. Op de laatste dag van haar leven werd om 2.00 uur begonnen
haar zwaardere injecties toe te dienen, zodat ze rustig zou inslapen. Om 11.00
uur was het zover. Yvonne haalde nog een keer moeizaam adem en ademde niet weer
uit. Stil lag ze daar. Het was voorbij. Ze was gestorven. John boog zich
voorover, maakte een kruisje op haar voorhoofd, precies op het moment dat ze
haar allerlaatste adem in een diepe zucht terug de wereld in blies.
John regelde de begrafenis, zocht Annie nog enkele keren op, en
dacht over alles na. Het stemmetje dat hij in zijn hoofd had gehoord. Annie
die hem had verteld over Yvonnes strijd. Haar gedrag tijdens carnaval. Had ze
toen al dingen aan voelen komen? Twee weken na haar dood ging hij, samen met
zijn moeder, terug naar Annie. Eenmaal bij Annie, ging het gesprek snel over op
Yvonne. Wijzend op haar soms moeilijke karakter, zei mijn moeder dat ons
samenwonen misschien wel op niets zou zijn uitgelopen. Annie schudde haar hoofd.
Nee, dat zou niet gebeurd zijn, zei ze. Ik zat erbij en opeens, net als met dat
stemmetje, gebeurde het. Annies woorden bleven in mijn oren hangen. Dat zou
niet gebeurd zijn. Maar wat zou dan wl gebeurd zijn? Ik voelde me wegzakken.
Wat er toen gebeurde, zou ik niet voor mogelijk hebben gehouden, als ik het niet
zelf had meegemaakt. Alsof ik droomde, zag ik het huis waar Yvonne en ik hadden
willen gaan wonen. In werkelijkheid stond het nog in de steigers, nu was het af.
Ik liep naar binnen, op zoek naar Yvonne, kon haar beneden nergens vinden, en
dus liep ik de trappen op naar boven. Daar, op de vloer, lag ze. Bloed gutste
uit haar hals. Ze was dood. Vermoord. Terwijl ik haar tot mijn afgrijzen zo zag,
drong zich uit mijn binnenste iemand op, die van mijn stem gebruik wilde maken.
Het was een bizar gevoel, op de een of andere manier werd ik als het ware
weggeduwd. Ik opende mijn mond en hoorde mezelf zeggen: Jij nu alles snapt...
daarom beter zo... anders nog meer pijn... Het was Yvonne. Zij kwam door. Op
een mysterieuze manier liet ze me zien wat er gebeurd zou zijn als ze in leven
was gebleven en wij in ons huis waren gaan wonen. Iemand zou haar vermoord
hebben. En met die kinderlijke, hakkelige, stem vertelde ze nog meer. Ze zei dat
ze blij was dat ik er voor haar geweest was. Omdat ik haar had begrepen. Daarna
kwam ze terug op de belofte die ze in het ziekenhuis had gedaan. Door mij heen
hoorde ik haar zeggen: Blijf bij je... niet bang zijn... blijf altijd bij je...
tot er een ander is... De hele tijd dat ze in me zat, voelde ik een beklemmende
pijn bij mijn hartstreek, alsof onzichtbare handen mij daar knepen. Pas na een
kwartier kwam ik weer wat op adem en verliet Yvonne me weer.
Voor John pasten de puzzelstukjes bij elkaar. Eens zou een ander
meisje op zijn levenspad komen, maar tot die tijd zou Yvonne er zijn. Ik was
een keer, met een kennis, op de fiets ergens naartoe. Plotseling verloor ik mijn
evenwicht en viel. Er kwam een auto aan en die miste me rakelings. Naderhand zei
mijn vriend hoe onvoorstelbaar het was dat ik er zonder een schrammetje vanaf
was gekomen. De bestuurder van die auto had met een bijna onmenselijk knappe
reflex gereageerd... Hielp Yvonne een handje mee? Bewijzen kun je het
niet, aldus John. Maar dat wil ik ook niet. Het gaat denk ik om hoe ik haar
zelf voel. Ik herinner me dat ik eens een boswandeling maakte, ging zitten en
achterover leunde. Toen was het of ik mijn hoofd in haar schoot legde. Haar adem
voelde ik in mijn nek. Ze ws er. Nadat hij dertig werd, hield hij een
feestje. Het is gebruikelijk dat je dan van de dames drie kusjes krijgt. s
Nachts stapte ik in bed, keek gapend nog even op de wekkerradio en iets greep me
weer bij de keel, toen ik zag dat de cijfers 3:30 aangaven. Een teken van
Yvonne? Drie kusjes en gefeliciteerd met je 30e verjaardag?
Inmiddels is John gelukkig met een andere vrouw. Hij is verder
gegaan, Yvonne ook. Maar hij zal haar niet vergeten en altijd in liefde aan haar
denken.
Uit Boek II
In Zijn Macht
Begin
januari 2005
In
het rimpelende water is het bolle gezicht van de verdronken man nog goed te
zien. Hij heeft donker haar, is vrij gezet, en heeft een gebruinde huidskleur.
De Rotterdamse paragnoste Sonja Veltman kijkt indringend naar de gestorvene. Het
is avond, ze zit gewoon in haar appartement en begrijpt niets van het visioen.
De dode man kent ze niet. Waarom en hoe hij aan zijn eind is gekomen, snapt ze
evenmin. Ze besluit het beeld terzijde te schuiven en te vergeten. Tot ze,
precies een week later, een telefoontje krijgt. Aan de lijn is een zekere Marry,
vierentwintig jaar, eveneens afkomstig uit de havenstad. Paniekerig begint zij
te vertellen dat ze wordt lastiggevallen door een duivel in mensengestalte.
Sonja herinnert zich wat ze gezien heeft en beschrijft de verdronken man.
Dat is hem! roept Marry geschokt. Vervolgens doet ze, hakkelend, relaas
over de gruwelen die deze man haar heeft aangedaan.
Augustus
2004
Al
jarenlang heeft Marry, een goed ogende brunette met duidelijk Rotterdamse
tongval, last van hoofdpijnen en rug- en nekklachten. De nasleep van een ernstig
auto-ongeluk in haar jeugd. Eindeloos medisch winkelen bij doktoren, medici en
andere deskundigen levert niets op, waarna ze uiteindelijk besluit in te gaan op
de raad van een kennis, die meldt veel baat te hebben gehad van ene Andrew S.,
een paragnost uit Rotterdam. Ze belt hem en mag meteen langskomen. Bij S., die
op de derde etage van een statig herenhuis woont, wordt ze gastvrij ontvangen.
Het eerste wat hij zei
was dat ik van mijn pijn af kon komen, zegt Marry, in de woonkamer van haar
flat, die ze deelt met vriend Theo (33). Inderdaad, S. helpt, al is zijn
behandeling tamelijk ongewoon. Hij gebruikte gemalen botten met aarde. Dat
smeerde hij over me heen. Eerst over mijn kuiten, daarna mijn voorhoofd en
schouders. De pijn werd minder en verdween geleidelijk. Naderhand zijn de
klachten ook niet meer teruggekomen.
Ofschoon de pijnen
waarvoor ze gekomen is binnen de kortste keren weg zijn, moet het echte zeer nog
komen. Spoedig na zijn behandeling laat de vriendelijke S. zijn masker vallen en
wordt letterlijk een kwelgeest. Het begint ermee dat Marry aan S. vertelt dat ze
vroeger wel eens aan pendelen heeft gedaan. Daar heeft ze een geestelijke
beschermengel aan overgehouden. Een soort van onzichtbare vriend die, in haar
beleving, vaker heeft geholpen om haar van nature wat opstandige gedrag te
temperen. Andrew moedigt het pendelen aan en zegt dat hij ervoor zal zorgen dat
ze een andere, nog betere beschermengel krijgt als ze doorgaat. Nieuwsgierig
geworden doet Marry wat hij zegt. Ik ging pendelen, gewoon om eens te kijken
wat er zou gebeuren. De eerste keer zag ik tot mijn verbazing allerlei vreemde,
ronde lichtflitsen op de muur. Een andere keer deed ik een doek over mijn ogen
en, raar als het was, opeens kwam er beweging in dat doek. Ik lag doodstil, maar
voelde het doek op en neer gaan.
Geschrokken belt ze S.
op. Hij roept dat ze onmiddellijk moet komen. Daar aangekomen, verkilt ze door
wat hij te melden heeft. Hij zei dat ik gewaarschuwd werd. Het bewegende doek
en de lichtflitsen waren een aankondiging van mijn dood. Ik schrok me helemaal
lam. S. vertelde erbij dat ik bezeten was door de duivel. Dat verklaarde volgens
hem tegelijk mijn opstandige gedrag.
Het komt niet in Marry
op te twijfelen aan S.. Bijna onmerkbaar is zijn donkere schaduw, dan al, over
haar heen gevallen. Hij kwam overtuigend over, herinnert Marry zich. Meestal
waren het de kleine dingen die het hem deden. Zo heb ik altijd wel last gehad
van mijn neus. S. zei daarop dat ik allergisch was. Vooral van mijn huisdieren.
Nou, als hij zoiets beweert, dan gaat je neus vanzelf nog meer dicht zitten. Je
gaat geloven dat je allergisch bent.
Andrew S. beweert dat
hij de duivel bij Marry uit kan drijven, maar doet dat niet meteen. De dagen en
weken die volgen zijn voor haar een marteling. Doodsbenauwd over wat de
paragnost haar gezegd heeft, kwijnt Marry weg. Ik ging er slechter uitzien.
Werd bleker. Mijn gezicht was net een doodskop, zeiden anderen mij. Ook begint
ze te geloven dat de duivel haar daadwerkelijk op de hielen zit. Als ik s
avonds op de bank zat, dan voelde ik een aanwezigheid. Ik zag dingen.
Schimmen, lichtflitsen. Ik durfde op een gegeven moment niet meer alleen naar
bed. Radeloos belde ik dan S. Hij zei telkens dat het tekenen waren van mijn
naderende dood. Steeds banger werd ik. Als ik op de bank zat, dan voelde ik die
angst van mijn tenen naar de kruin van mijn haar omhoog kruipen.
Het gaat echt mis als
ze op een nacht een aanval van hyperventilatie krijgt. Dat voelde aan of iemand
door me heen ging. Ik kreeg hartkloppingen, kon haast niet meer lopen. Weer
belde ik S. en kon er met spoed heen.
Direct de volgende dag
is het tijd voor de uitdrijving. Een ritueel dat naakt moet gebeuren. Andrew
vraagt Marry zich uit te kleden en te gaan liggen. Dat doet ze. S. strijkt koude
aarde over haar blote lichaam, zet brandende kaarsen om haar heen, laat
klankschalen tegen elkaar klinken en roept enkele onverstaanbare kreten.
Het
ritueel zou de duivel uit me moeten verjagen, zegt Marry terugblikkend. Het
klopt dat ik meer begon te eten en me wat beter voelde. Weer leek het of hij me
had geholpen.
Na de uitdrijving meent
Andrew dat zijn band met Marry steeds hechter wordt. Hij zegt dat hij haar in de
toekomst als helpster ziet. Dag en nacht. Ik zei: ja dat gaat niet, ik heb
een vriend en woon samen. Maar Andrew vertelde dat hij had gezien dat ik van
hm zou gaan houden. Ik begreep dat niet, zag op dat vlak niets in hem. Ik vond
hem geen aantrekkelijke man. Maar hij beweerde dat het anders was. Hij zag ook
kinderen. En hij begon me vaker te kussen. Daar hield ik helemaal niet van.
Om Marry in te palmen,
beschuldigt S. Theo van vreemdgaan. Hoewel ze dat niet gelooft, knaagt toch de
twijfel. Nog steeds had Andrew macht over me. Je kan er niets aan doen. Daarbij
gebeurden er ook nog kleine dingen die hem in de kaart speelden. Zo kreeg Theo
op een avond telefoon van een vrouw. Op zon moment klapt alles in, ondanks dat
er in werkelijkheid niets aan de hand is. Want Theo had niks met die vrouw. Ze
belde gewoon op. Maar je gaat er van alles achter zoeken. We hebben vreselijke
ruzie gehad. Ik was er zeker van dat mijn relatie op de klippen zou lopen en nam
afstand van mijn vriend.
Het duurt tot december
voor Marry op S. afknapt. Het begon me steeds meer tegen te staan dat hij Theo
door het slijk haalde. Daarnaast beschuldigde hij mij een keer van iets dat ik
niet had gedaan. Hij ging te ver. De maat was vol. Ik viel tegen hem uit en op
dat ogenblik moet hij denk ik beseft hebben dat hij mij niet helemaal in zijn
macht kon krijgen.
Marry is daarmee niet
van haar belager af. Getergd komt hij haar leven nu op andere wijze vergallen.
Plotsklaps doen zich in huis spookachtige verschijnselen voor. Een avond zitten
Theo en ik samen op de bank TV te kijken. Opeens zien we een schim vanuit een
hoek van de kamer dwars over het plafond trekken. Theo zegt verbouwereerd:
zie je dat? Ik knik ja. We lopen naar onze halogeenlamp. Geen huisdier te
bekennen dat voor de schaduw gezorgd zou kunnen hebben. We houden handen voor
het licht, om te kijken wat dat voor een effect geeft. Niets. Waar was die schim
dan vandaan gekomen? Een andere keer voelde ik iemand door mijn haar strijken.
Maar er was niemand in huis. Ik belde Andrew en zei: er is hier iets, en dat
zit maar aan me. Grijnzend zei hij: ik weet het, dat ben ik.
Om iets aan de terreur
te doen, zoeken Marry en Theo steun bij een spiritueel centrum. Er komt een
vrouwtje op bezoek, dat een vervelende sfeer in huis merkt, maar niet weet hoe
ze die kan weghalen. Ze stelt voor om paragnoste Sonja Veltman te raadplegen.
Als Marry Sonja aan de lijn krijgt weet zij al hoe S. er ongeveer uit ziet. Hij
blijkt namelijk de man te zijn die ze zeven dagen eerder, in een visioen, dood
in het water heeft zien liggen. De remedie om van S. af te komen, baseert de
paragnoste eveneens op haar droombeeld. Marry moet zeven dagen mediteren, met om
haar heen glazen water en brandende kaarsen. Zelf zegt Sonja: Bij dit ritueel
hoorde water, omdat ik Andrew verdronken had gezien. Een teken, voor mij, dat
water zijn zwakte was.
Veltman vraagt Marry s
avonds ontspannen te gaan zitten of liggen en in gedachten om hulp te vragen.
Alles wat haar niet zint moet ze als het ware van zich af denken. Enkele
angstige dagen volgen. De eerste nacht van het ritueel heeft Andrew geprobeerd
bij mij te komen, vertelt Marry. Ik hoorde echt letterlijk zijn schreeuw in de
slaapkamer, vlakbij mijn oor. Een kreet vol woede.
Daarna duikt S. op in
haar dromen. In nachtmerries keek ik vanuit de slaapkamer door het raam naar de
parkeerplaatsen achter onze flat. Daar stond hij dan, alleen, een donkere schim
die naar me staarde. Dan verstijf je van angst.
Sonja stelt haar echter
gerust door te zeggen dat de dromen juist betekenen dat Andrew afstand van haar
aan het nemen is. En dat klopt, want iedere nacht staat S. een beetje verder weg
van het raam. Hij krijgt minder greep over Marry. Het ritueel zorgde ervoor dat
Marry wat meer zelfvertrouwen kreeg, aldus Sonja Veltman. Ze ontdekte dat ze
haar eigen wil kon gebruiken om nee tegen hem te zeggen. Maandenlang had
Andrew steeds gezegd dat ze van alles moest, maar nu leerde ze dat ze alleen
maar dat hoeft te doen, wat ze zelf wil. Daar was het mij ook om te doen. Marry
kreeg haar zelfrespect terug. Na
de zeven dagen van mediteren, pakt Marry de draad stukje bij beetje verder op.
De relatie met vriend Theo wordt beter. De ban van Andrew S. is voorgoed
gebroken. Nu denk ik: hoe heb ik hem ooit kunnen geloven. Maar als je zo
onzeker bent, kunnen mensen veel met je uithalen. Godzijdank ben ik van hem
af.
Uit boek III
Het Spook
van DoodEind
In
2006 kwam de Nederlandse horrorfilm DoodEind uit. Het had echter niet veel
gescheeld of het publiek had er nooit van kunnen genieten. Op de set spookte
namelijk een chte geest, die opnamebanden ontfutselde DoodEind werd
opgenomen in het oude filmmuseum in Overveen, slechts bewoond door een jonge
vrouw, in dienst van een instelling die eigenaar is van het pand. Voor producent
Nick Jongerius en regisseur Erwin van den Eshof begonnen met de shoot, maakten
ze kennis met haar. Ze zei dat ze s nachts wel eens vreemd gestommel hoorde,
zegt Nick. Daar deden Erwin en ik wat lacherig over. Maar wat gebeurt er op de
derde draaidag? Actrice Aniek Pfeifer maakt zich klaar voor een scne en staat
bij de video-assist. Dit is een monitor die gekoppeld is met de camera, zodat je
kunt meekijken naar wat er gefilmd wordt. Op een gegeven moment zegt ze: wat is
dat nou? Ze had iets merkwaardigs gezien; dat stukje hebben we ook bewaard. Heel
kort schijnt er een raar flitslicht in de camera. Toen we het frame na frame
terugspeelden, zagen we in dat plotselinge, felle schijnsel een gezicht, van een
vrouw. Meerdere mensen hebben die opname gezien en niemand heeft een verklaring.
Het lijkt op een echte geestverschijning. Dat was niet alles. Er gebeurden
meer raadselachtige zaken op de set van DoodEind. Op dag tien van de shoot
waren we een masterband kwijt, aldus Nick. Die bewaren we in een kluis want
als je zon masterband verliest, is dat een financieel drama. De
productieassistent hd de band veilig opgeborgen. Daar waren getuigen van. Later
bleek de band niet meer in de kluis te liggen. Hij kon niet gestolen zijn, want
alleen de productieassistent kende de kluiscode. Naderhand dook de masterband op
een heel andere plek, waar niemand hem had neergelegd, weer op. Ik begrijp er
nog steeds niets van. Nick besluit: Toen we klaar waren met draaien was ik
opgelucht dat we het huis achter ons konden laten. Het ging me op de zenuwen
werken. Frappante gebeurtenissen. Zeker als je weet dat de film gaat over
een negentiende eeuwse vrouw van het Schotse platteland die werd beschuldigd van
hekserij en nogal gruwelijk aan haar eind kwam. Anno 2006 gaat een groep van
zeven Nederlandse vrienden op vakantie naar Schotland. Ze worden gedwongen te
schuilen in de heksenstulp, na opgejaagd te zijn door wilde honden. Eenmaal
binnen blijkt het onmogelijk om het spookhuis weer te verlaten. Kamers
verschuiven mysterieus en tegelijk openbaren zich de duistere geheimen van de
afgelegen woonstee. De vloek van de toverkol zorgt ervoor dat de een na de ander
uit de groep van zeven onvrijwillig afreist naar de poort van
Petrus.
Waargebeurde verhalen / 2007 / 256 blz per boek Prijs:
14,95 (geen verzendkosten)
Verkrijgbaar in de boekhandel ofonze shop:
www.suspenseshop.com
|