Bavo Dhooge

Slinger

‘Een hondenleven,’ zei hij. ‘Dat is mijn leven. Een hondenleven.’
Stan Kenton gooide de staaf weg en de hond die een moment eerder nog voor zijn voeten zat te kwijlen, liep erachter aan. Het zand stoof op, als een kleine wervelwind in een woestijn. Het verbaasde Stan niet eens meer waar die hond de fut vandaan haalde om keer op keer achter die staaf aan te hollen. Hij wist waarom. De fut school in het kleine systeem dat in de staaf was ingebouwd. Dit was niet zoals met de hond van Pavlov. Deze hond zou niet om het even wat gaan halen. Als Stan een schoen of een steen weggooide, zou de hond braaf blijven zitten kwijlen. De geconditioneerde reflex, zoals Pavlov enkele eeuwen geleden al had vastgesteld, gebeurde in dit geval enkel bij de staaf. Want enkel in de staaf zat een devies verborgen dat de hond aansprak. Letterlijk.
‘Ja, loop er maar achteraan, snertding,’ sneerde Kenton vals glimlachend. Hij probeerde zijn glimlach te verbergen voor Maggie, zijn vrouw. Die zat, zoals steeds, in de felle zon te braden en hield hem in de gaten. De hond, niet de man. Het was haar hartedief, haar toeverlaat en zelfs haar enige vriend.
‘Waarom speel jij dan niet met hem op het strand?’ had Stan haar in het begin nog herhaaldelijk gevraagd.
‘Omdat hij mij al kent. We voelen elkaar perfect aan. Met jou is er nog werk aan de winkel,’ had ze venijnig geantwoord. ‘Jullie moeten elkaar nog een beetje beter leren kennen.’
Mijn god, dacht Stan meer dan eens. Ik wou dat ik die staaf zover kon weggooien dat die verrekte hond nooit meer terugkomt. Maar hij kwam terug. Keer op keer. Als een verrekte boomerang. Soms zelfs voor de veertigste of vijftigste keer op één dag, kwam dat onding terug naar hem gelopen. Het hield de metalen staaf krachtig tussen zijn tanden en plofte het voor zijn voeten neer. En toen begon het hele spel weer van vooraf aan. Ook nu weer kwam de hond na veertien tellen teruggehold, al had Kenton de staaf zeker twintig meter verder gegooid.
‘Je moet hem wat uitdagen,’ riep Maggie hem vanuit haar stoel toe.
‘Ik moet juist niks,’ zei Stan kort.
‘Jawel. Waarom loop je niet om ter snelst naar die staaf?’
‘Waarom loop jij niet eens naar de hel, oude taart?’ antwoordde Stan stil.
‘Hij heeft een beetje concurrentie nodig.’
‘Wat hij nodig heeft, is een schop onder zijn kont,’ zei Stan tegen niets anders dan de wind.
Hij nam de staaf op, voelde met zijn vingers aan het metaal en keek voor zich uit. Het strand was bijna helemaal verlaten. In de duinen, iets verderop, ruimden een paar kinderen hun spullen op. Hier en daar hielden de badgasten het voor gezien. Stan keek op zijn horloge. Het was bijna halfzeven. Halfzeven en hij stond hier de helft van zijn leven te verdoen met het gooien van een onnozel staafje. Terwijl hij evengoed een frisse pint kon nemen op een terras of naar een sportwedstrijd kon kijken. Maar neen, hij hield zich bezig met het schoothondje van zijn vrouw. Dat monster daar in de stoel dat bijna even zwart was geworden als haar eigen hond.
Toen kreeg hij een ingeving. Stan nam de staaf in zijn andere hand en strekte zijn arm naar voren. Hij slaakte een kleine kreet, maar hield de staaf in zijn hand. Hij keek voor zich uit alsof de stok inderdaad ettelijke meters verder in het zand was geplofd en zei:
‘Komaan, jongen. Waarop wacht je nog? Breng hem maar terug.’
De hond keek hem een paar keer dol en dwaas aan, staarde in de verte, keek op, likte aan zijn muil, hief een poot op en staarde weer in de verte Het was ten slotte Maggie die het niet langer kon aanzien.
‘Denk je dat ik dat niet gezien heb?’
‘Wat?’
‘Je deed alsof.’
‘Jij doet zoveel alsof,’ antwoordde Stan weer binnensmonds toen hij erover nadacht hoelang het alweer geleden was dat ze het bed hadden gedeeld.
‘Dat arme beestje. Die arme drommel.’
‘Ik ben blij dat je eindelijk wat medelijden met me krijgt, schat,’ riep hij cynisch terug.
‘Ik heb het over die hond, stomme kloot!’
Hij was inderdaad een stomme kloot, Stan Kenton. Hij floot tussen zijn tanden naar de hond die even aanstalten maakte om de stok te gaan zoeken. Maar uiteindelijk keerde het schepsel na drie stappen terug en ging voor Stans voeten liggen.
‘Je trapt er niet in, he? Een machine met meer dan honderd chips, maar nog steeds zo stom als een ezel.’
Stan Kenton keek hooghartig neer op het metalen lichaam van het robodogje. Hij leek in alle opzichten op een echte hond, van dicht en van ver. Het was het allernieuwste model, een labrador 4.0, dat nog maar een paar maanden op de markt was. Stan dacht even aan de eerste modellen die een eeuw geleden in Japan op de markt waren gebracht. Antieke dinosaurussen die op vier metalen pootjes vooruitschuifelden en om de haverklap in elkaar stuikten of op hun rug vielen. Bouwvallige bulldogs waarvan alleen het staartje kwispelde en –in het beste geval- enkel de tong uit de bek viel. Hij herinnerde zich nog de oude beelden van die robothonden. Het waren echte robotten: met een ijzeren of stalen harnas en een metaalachtig geluid dat moest doorgaan voor keffen of blaffen. Het was niet te vergelijken met dit nieuwe model dat bijna als twee druppels water op een echte hond leek. Met een glanzende zwarte vacht, krachtige harige poten en nagels en ogen die groen oplichtten.
‘U zal zien,’ had de verkoper van de postmoderne petshop gezegd toen ze het spul een jaar geleden hadden gekocht. ‘Hij is beter dan het echte spul. Hij plast, maar plast water. Hij kwijlt, maar kwijlt water en hij verliest geen haar.’
‘Hij ziet er zo echt uit,’ had Maggie toen al geopperd alsof ze op slag verliefd was geworden.
‘U hoeft hem zelfs niet in bad te zetten en te wassen. Je kan hem gewoon schoon stofzuigen en af en toe eens oppoetsen.’
Stan had nooit geweten of Maggie doelbewust dit exemplaar uit de etalage had gekozen. Want er stonden die dag wel vijf of zes verschillende soorten robodogs in het raam. Poedels, Duitse herders, Ierse Setters; er zat zelfs een kleine Pekinees bij.
‘Ik moet u natuurlijk het voordeel van zo’n robodog niet nog eens uit de doeken doen,’ begon de verkoper.
‘Jawel,’ zei Stan nors. ‘Doet u dat toch maar eens.’
Want Stan Kenton kon nog altijd niet begrijpen waarom ze per se een machinale en digitale hond wilden namaken als je evengoed een echte hond op je tapijt kon laten pissen.
‘Ik bedoel, je moet er nog steeds mee gaan wandelen, nietwaar?’ zei Stan.
‘Ja, je moet hem nog steeds buitenlaten. Je moet hem nog steeds eten en drinken geven. En als je een echte dierenvriend bent, moet je hem van tijd tot tijd ook nog eens de occasionele knuffel geven.’
‘Dat is meer dan ik tegenwoordig krijg,’ grapte Stan terwijl hij knikte naar zijn vrouw. Maar Maggie was toen al te zeer in de ban van de hond geweest om de steek onder water te voelen. De verkoper wist dat de robodog verkocht was.
‘Het voordeel van zo’n robodog is natuurlijk dat het een machine blijft. Een computer. Ik bedoel, als hij te lastig wordt, dan schakel je hem gewoon uit. Net zoals je vroeger een televisie uitschakelde als er niets meer te zien was.’
‘Maar waarom maken ze die dingen dan?’ kon Stan niet nalaten te vragen.
‘Deze dingetjes gaan nu eenmaal nooit dood,’ zei de verkoper plots. ‘Dàt is het geniale eraan. Dàt is de reden waarom iedereen zo’n robodog boven een echte hond verkiest. Je weet zelf hoe het gaat: je leeft een half leven met zo’n beest samen en als het sterft, ben je er even kapot van als van de dood van je grootmoeder. Niet met deze baby’s. Deze robodogs zijn onsterfelijk en gaan langer mee dan welke hond ook.’
‘Hij zal dus onze erfenis krijgen,’ had Stan weer gegrapt.
Toen duidelijk was geworden dat de labrador 4.0. zou verkocht worden, haalde de verkoper het spul uit elkaar. Tenminste, hij legde uit hoe de voornaamste stukken in elkaar staken en waarvoor ze dienden. Het hoofd werd afzonderlijk geleverd, evenals de staart die allebei gewoon op het lichaam werden gezet. De vacht werd als een mantel met velcro over het metalen karkas dichtgeplakt. En ten slotte diende een eenvoudige knop om de chip in het hoofd van de hond in gang te zetten. Deze chip zorgde ervoor dat de hond op bevelen reageerde, dat hij van tijd tot tijd naar buiten moest en dat hij af en toe huilde, als vraag om geknuffeld te worden.
‘Het is een computer met een chip. Niet meer dan dat.’
 
Ik gooi een stok naar een computer, dacht Stan Kenton die dag op het strand. En daarbij vroeg hij zich af wie het minste chips in zijn hoofd had zitten: de hond of hijzelf. Het was in diezelfde winkel dat Stan Kenton een maand geleden de slinger had gekocht. Hij was op vraag van Maggie om een nieuw busje olie naar de winkel gegaan om de robodog te smeren, maar was tien minuten later buitengekomen met een slinger. Het spul stond niet in de afdeling huisdieren, maar bij de sportafdeling.
‘Ik wil zo’n ding dat ze vroeger een boomerang noemden,’ vroeg Stan aan een andere verkoper.
‘Een boomerang?’
‘Ja, zo’n ding dat je weggooit, maar zich in de lucht omdraait en terug komt gevlogen.’
‘Ach! U bedoelt een slinger?’
‘Een slinger, een boomerang, mij om het even.’
Even later stond Stan weer buiten met een harde, ijzeren bal in zijn hand die aan een soort rekker vasthing. Hij was even groot als een tennisbal en blonk even hard als een petanquebal. Maar hij was van aluminium gemaakt en woog net zo licht als een pluimpje. Hij pastte perfect in zijn hand.
‘En dit ding draait dus terug?’ vroeg Stan voor de zekerheid.
‘Ja, hoor. Er zit een kleine chip in die na enkele seconden de richting van de bal doet veranderen. Het spul draait zich driehonderdzestig graden. Hij wordt vooral gebruikt als oefening bij sportlui.’
‘Fantastisch!’ juichte Stan. ‘Een kogel die heimwee heeft.’
Die dag op het strand, om halfzeven, haalde Stan de slinger uit zijn zak. Hij wachtte het juiste moment af, tot Maggie haar eigen spullen begon in te pakken. Hij had het ding nog nooit getest, maar nu kon hij het niet laten. Hij haatte die rothond. Hij wilde het testen. Hij wilde hem pesten.
‘Oké, ik heb hier iets anders voor je, stuk schroot.’
Stan toonde de glimmende bal aan de hond. Meteen kroop de robodog soepel als een hert rechtop en begon te kwijlen. Hij blafte zelfs. Stan Kenton was zo in zijn nopjes en nerveus dat zijn ooglid weer begon te trillen. Een oude tic nerveux die hij al had sinds hij een kleuter was. Zijn rechteroog trilde zo hard dat hij als het ware niet kon stoppen met knipogen.
‘Wat zit je zo te staren, stuk oud ijzer!’ zei hij venijnig en bijna beschaamd tegenover de robodog. ‘Dat kunnen ze jullie nog niet laten doen, he? Zo ver ben je nog niet gevorderd.’
Hij knikte goedkeurend naar de slinger en besloot die rothond een lesje te leren.
‘Oké, hier gaat-ie. Breng hem maar snel terug!’
Met een enorme kracht gooide Stan de slinger voor zich uit. De bal vertrok met een daverende snelheid, als een kanonskogel door de lucht. Nog nooit had Stan de hond zo snel uit zijn startblokken zien schieten. Het leek wel een magneet die tot een stuk ijzer werd aangetrokken. En in zekere zin was dat ook wel een beetje wat er gebeurde met de metalen staaf. Maar dit was anders.
‘Je moet hem eens zien razen!’ riep Stan te luid uit waardoor Maggie opkeek.
Ook zij was verrukt dat haar lieveling zich eindelijk eens kon uitleven. Ze kwam met de handen in haar zij naast Stan staan en leek voor het eerst in tien jaar weer eens opgezet met een daad van haar man.
‘Zie je wel dat jullie het met elkaar kunnen vinden. Wat is dat?’
‘Dat is een bal,’ zei Stan enkel want hij wachtte tot de slinger zich zou bedenken en midden in de lucht rechtsomkeer zou maken.
‘Dat zie ik ook.’
‘Het is eigenlijk een slinger.’
‘Wat is een slinger?’
‘Dat zal je zo wel zien.’
En toen gebeurde het. Net op het moment dat de robodog zich afstootte in het zand en naar boven sprong om de bal tussen zijn metalen kaken te klemmen, veranderde de slinger van richting. In een mum van tijd kwam hij weer in Stans richting af.
‘Wat is dat?’
‘Dat is dus een slinger,’ glimlachte Stan vol venijn.
‘Ik had het kunnen weten,’ zei ze kwaad en ontzet. ‘Je bent echt een smeerlap, weet je dat?’
Maar Stan antwoordde niet. Hij genoot niet alleen van de slinger die terug zijn richting uitkwam, maar nog meer van die rotrobodog die als een tilt geslagen kikker alsmaar omhoog sprong en niet begreep waar de bal naar toe was.
‘Dit is beter dan doen alsof,’ zei Stan.
‘Dit is de laatste keer dat je zo’n stunt uithaalt, Stan Kenton,’ klonk het dreigend. ‘Dat liefje mag dan wel een machine zijn, maar je speelt niet met zijn gevoelens.’
‘Welke gevoelens?’ riep Stan Kenton luid uit.
Heb je wel eens gedacht aan mijn gevoelens, riep hij in zichzelf nog luider uit. Heb jij in de afgelopen tien jaar ook maar eens één seconde rekening gehouden met mijn gevoelens? Neen, je had meer oog voor de noden en gevoelens van dat stuk speelgoed dan voor de mijne!
Op een drafje kwam de robodog door het zand teruggesloft. Hij leek ontgoocheld en diep vanbinnen leek Stan een soort falen van het mechanisme te zien. De chip die niet begreep wat er net was gebeurd.
‘Kom maar bij mij, schatje,’ suste Maggie en ze spreidde haar armen om de hond op te vangen.
Maar voor het eerst sinds zijn bestaan, liep de robodog niet zomaar in de armen van zijn bazin. Het ding bleef voor de voeten van Stan staan, wachten. Op dat moment strekte Stan zijn rechterhand uit en ving de slinger op, net zoals een baseballspeler vroeger met een lederen handschoen een baseball opving. Maar de robodog had zelfs geen oog voor de slinger. Hij had enkel oog voor Stan Kenton. En hoewel geen van beiden de hond ooit hadden horen grommen, liet hij nu wel van zich horen.
‘Wat is dat?’
‘Hij gromt. Hoor je dat niet?’
‘Dat is ook de eerste keer.’
‘Het is ook de eerste keer dat hij boos is.’
Het grommen klonk echt dreigend, als een klein onweer dat op komst was. En de groene lichtjes in het hoofd die achter de ogen flikkerden, leken wel feller en… helser te staan.
‘Die hond slaat tilt,’ zei Stan enkel.
‘Dat komt ervan als je hem zo voor de gek houdt. Mijn liefje houdt er niet van om voor de gek te worden gehouden, nietwaar, mijn kleine schat?’
Toen verminderde het grommen en met enige tegenzin schoffelde de labrador 4.0 toch nog in de armen van Maggie. Stan Kenton keek naar de slinger in zijn hand. Het was toch een leuk speeltje, dacht hij. En als hij daarmee die rothond wat kon pesten, des te beter. Dus wachtte hij tot Maggie weer naar haar stoel was gesloft en hield hij zich klaar om de slinger een tweede keer te werpen.
‘Zo makkelijk kom je er niet vanaf, rothond.’
Met een pijnlijke frons concentreerde hij zich op de worp. De labrador was onvermoeibaar. Hij had geen last van lome poten of uitdroging. Hij stond alweer te springen van ongeduld.
‘Oké, hier gaat-ie!’
Stan wierp de slinger een tweede keer weg. En net zoals de eerste keer liep de robodog er blindelings achteraan. Het leek wel een herhaling. Toen de slinger begon te vertragen, sprong de hond weer omhoog en… miste. De slinger kwam terug. Maar in tegenstelling tot de eerste keer, bleef de hond nu niet in de leegte staren. Vrijwel meteen maakte ook de hond rechtsomkeer en kwam met een daverende snelheid in Stans richting uitgelopen.
‘Wat in hemelsnaam…?’ mompelde Kenton toen hij de hond zag versnellen.
Het leek wel alsof de chip in het hoofd van de hond het bevel had gegeven in een soort vijfde versnelling te gaan. Steeds sneller liep de hond achter de slinger aan, tot hij uiteindelijk bijna op dezelfde hoogte liep.
‘Moet je nu eens kijken,’ lachte Kenton ongemakkelijk naar zijn vrouw. ‘Dat beest van jou is nog niet zo dom als hij eruit ziet.’
‘Wat heb je nu weer gedaan?’ vroeg Maggie ongeïnteresseerd terwijl ze opstond.
‘Hij heeft het eindelijk door,’ zei Kenton.
‘Ik denk dat hij eindelijk door heeft dat jij een klootzak bent, Stan Kenton.’
‘Jaja…’ zuchtte Kenton omdat hij zich meer verbaasde en interesseerde in de werking van de robodog.
Ondertussen had de hond zijn maximumsnelheid bereikt. Hij snelde de slinger voorbij en draaide halverwege zijn hoofd om achter zich de bal te kunnen blijven volgen. Stan Kenton begon te grijnzen, als een man die wist dat hij altijd het laatste woord zou krijgen.
‘Je bent snel, maar niet snel genoeg, ventje,’ zei hij.
Hij stak zijn hand op en opende zijn palm. Nog even en de slinger zou met een dof geluid in de holte van zijn hand belanden.
‘Dit balletje weet wie de meester is,’ zei Kenton en met een plof kreeg hij gelijk. Maar vrijwel meteen voelde hij een tweede plof. Harder en luider. Het was de robodog die met een smak naar de slinger sprong en zodoende op het lijf van Stan Kenton terecht kwam.
‘Jezus, gaat het, liefje?’
In een moment van zinsverbijstering wist Stan Kenton niet eens wie zijn vrouw nu bedoelde. Maar toen hij het gewicht van de machine op zijn borstkas voelde, kon hij maar hopen dat ze hem bedoelde.
‘Maggie! Haal hem van me af!’
De robodog was blijkbaar dol geworden of tilt geslagen. Stan strekte zijn arm nu niet meer, maar hield de slinger op zijn borstkas zodat de hond er makkelijk zijn stalen tanden kon inzetten. Maar die slinger was nu net het enige waar de hond niet zijn tanden inzette. Blijkbaar ging het hem niet meer om de slinger. Het was duidelijk dat de hond enkel geïnteresseerd was in Stan Kenton.
‘Maggie! Doe iets!’
Maar Maggie kon of wilde weinig doen. Ze keek enkel toe hoe de hond haar man, met wie ze meer dan twintig jaar getrouwd was, langzaam begon te verscheuren. De metalen machine was te zwaar. De man kon er niets tegen beginnen. Zijn stem begon te vervagen:
‘Alsjeblief, Maggie! Help me!’
‘Hoe? Ik weet niet… Ik heb de handleiding weggegooid,’ klonk het vrij absurd en banaal van haar kant.
‘Help me! Hij verscheurt me…!’
Toen Maggie ten slotte het hoofd afwendde, zag ze net niet meer hoe de robodog als een waanzinnig monster het oor van Stan Kentons hoofd rukte. Het was niet minder dan een vechtmachine geworden. Een oorlogsmachine. Om de laatste wanhoopskreten van haar man te vergeten en niet te horen, probeerde Maggie Kenton te achterhalen hoe dit kon gebeuren. Hoe bestond het dat een computer, een digitale robodog, begon te flippen en zijn baasje aan flarden scheurde? Wat lag aan de basis van deze irrationele handeling? Een robot kon niet denken of voelen of gevoelens zoals wraak of vergelding registreren. En toch was dit ding bezig haar man te vermoorden!
‘Maggie…!’
De stem van Kenton werd opgelorpt in de keel van de robodog. Er bleef niet veel meer over van het lichaam van Stan Kenton. Behalve misschien de slinger. Die was onaangeraakt op de borst blijven liggen. Als een rot stuk fruit dat opzettelijk naast het bord was gelegd.
 
‘Het is ironisch,’ zei Maggie Kenton drie dagen later toen ze bij de notaris zat. Ze had een afspraak gemaakt om de crematie van haar man te regelen en om de erfenis en het testament te bespreken.
‘Wat is zo ironisch?’ vroeg de notaris haar. Hij liet de grote envelop nog even liggen en wilde de dame voor zich eerst wat op haar gemak stellen.
‘De dood van Stan,’ zei Maggie. ‘Ik bedoel, je kan het zo gek genoeg niet verzinnen.’
Langzaam, tussen de paar valse tranen die ze de notaris liet zien om toch een beetje sympathie op te wekken, begon ze het verhaal te vertellen. Het verhaal van het mislukte huwelijk tussen de Kentons, de mislukking die was begonnen sinds de dood van hun enige kind.
‘Het gebeurde ook op het strand. Net als drie dagen geleden. Ons zoontje Patrick was amper vijf. Het was een prachtige, zonnige dag. Mijn man en Patrick gingen om de haverklap zwemmen met Boomer. Boomer was onze hond. Een labrador. Een echte labrador.’
De notaris schoof de envelop nu nog een stukje verder van zich af. Hij bereidde zich voor op een lang verhaal.
‘Patrick was gek op die hond. En de hond was gek op hem. Tenminste, dat dachten we en zo was het ook. Maar… honden blijven beesten en beesten blijven nu eenmaal gevaarlijk en onberekenbaar. Die dag lag Patrick dus in het zand te rollebollen met Boomer. Ze worstelden erop los. Boomer liet vaak een soort speelse grom horen. We kenden dat geluid goed genoeg. Het was niets om ons zorgen over te maken. Maar plots hoorden we dat gegrom niet meer. Er was niets meer te horen behalve stilte. En toen we opkeken was het drama al gebeurd. Patrick… hij…’
De notaris opende een lade, niet om de envelop weer weg te steken, maar om een doosje zakdoekjes boven te halen. Hij bood er een aan Maggie Kenton die het gretig aannam en haar tranen bedwong. Snotterend ging ze verder:
‘Hij lag stil. Er was weinig of niets te zien, maar hij was dood. Boomer had hem in één beet doodgebeten. Was het een ongeluk of een dierlijke reactie, niemand kon het zeggen. In ieder geval had hij ons zoontje de keel doorgebeten. Misschien had hij zich gemist en wilde hij hem speels in de arm of in het been bijten, maar het kwaad was geschied. Ons zoontje, vijf jaar…’
Het moment was gekomen voor de notaris om een hart te laten zien. Maar in plaats daarvan bleef hij gewoon zitten en liet hij een kuchje horen. Misschien hadden ze vandaag ook al robot-notarissen op de markt gebracht. Hij wachtte tot Maggie Kenton wat bedaard was en liet haar toen het verhaal afmaken:
‘Toen we ons zoontje hadden gecremeerd, kwam de vraag van de dokter om Boomer te laten afmaken. Het was een brave hond geweest, maar hij had ook iemand vermoord. Bovendien kon ik geen dag langer met dat beest in huis verderleven. Elke keer als ik hem zag, moest ik natuurlijk aan mijn lieve Patrick denken.’
‘Natuurlijk,’ beaamde de notaris.
‘Dus zat er niets anders op dan hem een spuitje te laten geven. Ik vroeg Stan om die klus te laten klaren. Hij moest het beest naar de dierenarts brengen. Op een dag nam Stan de labrador dus mee in de wagen en zette aan naar de dierenarts. Ik keek ze allebei na, in de overtuiging dat het snel achter de rug zou zijn. Ik ging zelfs in de zetel zitten en telde luidop de seconden, tot ik op het tijdstip kwam waarop de hond wellicht de spuit kreeg toegediend. Maar…’
Het snikken kwam weer op gang. De notaris keek op.
‘Maar…?’
‘Maar toen Stan terugkeerde, wist ik het. Ik wist dat hij het niet over zijn hart kon krijgen. Ik bedoel, er was wel geen hond meer te zien en toen ik hem vroeg of hij het dier werkelijk naar de dierenarts had gebracht, knikte hij. Maar ik voelde dat hij er niet was geweest. En enkele dagen later werd mijn vermoeden bevestigd. Een kennis van me vertelde me dat ze Boomer ergens had zien lopen. In een tuin of in een park, het maakt niet uit. Het voornaamste was dat die duivelse hond nog ergens rondliep. Stan had hem laten lopen! De moordenaar van ons kind! Hij was te zwak geweest om het dier te laten inslapen.’
‘Ik zie wat u bedoelt met ironie,’ besloot de notaris toen hij nadacht over de parallelle dood van vader en zoon. Ze waren allebei aan hun einde gekomen door een hond. De een door een echte, de ander door een robodog.
‘Karma heet zoiets,’ zei de notaris. ‘Karma keert altijd terug. Ik veronderstel dat er niets anders opzat dan uw man te laten sterven zoals uw zoon. Karma.’
‘Dat is ook de reden waarom Stan die robodogs zo haatte. Hij verkoos liever de echte beesten. Mijn god, ik denk zelfs dat hij er niet voor zou hebben teruggedeinsd om na Boomer weer een echte hond in huis te nemen. Nog goed dat ik het been stijf hield.’
Het duurde nog een paar minuten en een paar koppen sterke koffie voor Maggie Kenton toegaf dat ze klaar was voor het testament van haar man. Ze droogde haar tranen en ging keurig rechtop zitten. Ze was ondertussen bijna vijftig en wilde wel eens weten wat haar man, hoezeer ze hem de laatste jaren ook had gehaat, zoal had achtergelaten. Het huis en de wagen, ja, die gingen natuurlijk naar haar. Maar misschien viel er wel nog iets anders uit de kast. Als het maar geen lijken waren!
‘Goed,’ zei de notaris voornaam. ‘Dan kunnen we nu overgaan tot de bekendmaking van het testament van uw echtgenoot, Stanley Eugene Kenton. Of beter: zijn laatste wensen.’
Met bevende handen scheurde de notaris de envelop open. Maggie Kenton ging rechtop zitten. Ze voelde zich miserabel en alleen op de wereld. Maar daar zou snel verandering in komen als de robodog volgende week hersteld was. Klaarblijkelijk ging het om een kleine kortsluiting. Een kink in de kabel, een verbranding in het circuit die ervoor gezorgd had dat de robodog tilt sloeg.
‘Goed,’ begon de notaris. ‘Dit betreft de nalatenschap van de dierbare heer Stan Eugene Kenton, geboren te…’
De stem verslapte en begon binnensmonds te brabbelen.
‘…als laatste en enige wens heb ik, Stan Kenton, de vrijwaring en bewaring van mijn ziel intact te houden.’
De notaris las nog even verder, maar zijn aandacht verslapte tot Maggie hem onderbrak:
‘Wat bedoelt hij met de vrijwaring en bewaring van zijn ziel?’
‘Wel,’ peinsde de notaris zonder opkijken omdat hij op die manier kon ontsnappen aan Maggie’s blik. ‘Ik veronderstel dat uw echtgenoot doelt op de doorstroming en reïncarnatie van zijn hersenen in een ander lichaam dan het zijne.’
‘Wat?!’
De kreet van Maggie Kenton was tot buiten het kantoor te horen. Ze kon het niet geloven. De notaris trachtte haar wat te kalmeren:
‘U kent de recente wet toch wel over de opvolging en de in standhouding van de menselijke ziel en wezen, met betrekking tot artikel 12 bis, alinea 2?’
Maggie Kenton was echter een ouderwetse vrouw en had zich gedurende de laatste jaren met weinig andere dingen beziggehouden dan met het verdriet om de dood van haar zoontje en de troost die de robodog haar hieromtrent kon bieden. Maar natuurlijk was ze net als iedereen op de hoogte van de recente ontwikkelingen op het gebied van de neurotechnologie. Het was bekend dat na de kloontechnologie en de ontwikkelingen op het vlak van de digitale mens de wetenschap de laatste jaren een andere weg was ingeslagen. Wetenschappers waren er immers in geslaagd om het eeuwige leven van de mens in zekere zin een nieuwe betekenis te geven door de ontwikkeling van hersenchips. Het procédé was simpel: het kwam er eenvoudigweg op neer dat de hersenen bij de dood van een man of vrouw konden worden opgeslagen, als een simpele back-up van een computer, in een chip. Vroeger al werden zulke chips bij mensen ingeplant om bijvoorbeeld te helpen in hun strijd tegen de ziekte van Altzheimer of om hersentumors te neutraliseren. Vandaag waren de wetenschappers erin geslaagd de hersenen als het ware niet langer op sterk water te bewaren voor het nageslacht, maar ze simpelweg samen te vatten of op te slaan in een kleine chip die nadien in een ander lichaam kon worden ingebracht.
‘Ik heb ervan gehoord,’ zei Maggie. ‘Maar ik begrijp het niet. Wat is de bedoeling van dit alles?’
‘Ik denk dat uw man niets meer wil dan wat we allemaal willen.’
‘En dat is?’
‘Het eeuwige leven.’
Maggie wist één ding. Ze was blij dat Stan Kenton ten minste niet het eeuwige leven met haar kon doorbrengen.
‘Maar hoe dan?’
‘Simpel,’ legde de notaris uit. ‘Als de hersenen van uw echtgenoot voor zijn crematie worden bewaard, kunnen ze met behulp van een chip in een ander dood lichaam worden ingeplant. Maar er is één voorwaarde. Het andere lichaam moet alle lichamelijke levensvatbare functies hebben. Met andere woorden: de chip kan enkel worden ingeplant in een lichaam dat bijvoorbeeld in coma ligt. Of… ingevroren is.’
De term ingevoren gaf Maggie letterlijk koude rillingen. Ze dacht meteen aan de stijve gestalte in het vriescentrum die ooit haar zoon was geweest. Dus daarom had Stan Kenton zich altijd verzet tegen de crematie van zijn eigen zoon! Hij wilde erop gokken om ooit verder te leven in diens lichaam!
‘Ik kan dit niet geloven,’ zuchtte Maggie ontzet.
‘Ik denk dat ik het ook moeilijk kan geloven,’ zei de notaris, maar terwijl hij verderlas in het testament wist hij dat hij gelijk had. ‘Maar ik lees hier inderdaad dat uw echtgenoot het gemunt heeft op het lichaam van uw zoontje. Al bij al is dat lichaam niet levensbedreigend toegetakeld. Uw zoontje stierf voornamelijk door een hoofdwonde. De andere vitale organen en functies zijn als het ware gespaard gebleven.’
‘Maar… dat is waanzinnig!’
‘Het is misschien waanzinnig, maar het is geen waanbeeld, mevrouw.’
‘Kan ik hier dan geen verzet tegen aantekenen?’ vroeg Maggie plots.
‘Ik vrees van niet. De wet bepaalt dat een van de ouders voldoende volmacht heeft om de eis in te willigen. Het ziet er dus naar uit dat u zich zult moeten neerleggen bij het feit dat uw man binnenkort weer zal verschijnen als uw zoontje. U kan het ook beschouwen als twee vliegen in één klap. Ze komen allebei voor de helft terug.’
Maggie Kenton legde zich inderdaad neer bij de beslissing en dit harde verdict. Letterlijk. Ze zakte door haar knieën en gleed van haar stoel af. Als een schotelvod bleef ze flauwgevallen op de grond liggen.
‘Sommige mensen zijn ook nooit tevreden,’ zuchtte hij.
 
In het Bewaringscentrum voor Bevriezing en Ontvriezing was de spanning te snijden. In het gezelschap van de notaris en twee getuigen zat Maggie Kenton in een loge te wachten tot het lichaam van haar zoontje Patrick uit de koker zou worden geschoven. Hij lag al meer dan tien jaar, hersendood, in een nauwe capsule, onder een temperatuur van min dertig graden onder nul celcius. In wezen was het zoontje niet veel veranderd. Hij was alleen wat blauwer en grauwer geworden.
‘Het spijt me, mevrouw Kenton,’ zei de bediende die instond voor de service van het Bewaringscentrum. ‘Dit zal niet zo prettig voor u zijn. Maar u beseft dat we niet anders kunnen. De regering wil de stockage van lichamen nu eenmaal beperken.’
Maggie Kenton hield zich kranig. Uiterst kranig. Meer nog, ze leek in tegenstelling tot de tranen in het kantoor van de notaris, nu geen vocht meer over te hebben.
‘Dat weet ik.’
‘Oké, dan zullen we nu, in bijzijn van genoemde getuigen en de heer de notaris overgaan tot de inplanting van de chips. De chips, eigendom van de heer Stan Eugene Kenton…’
Maar het glazen schild was nog maar van de capsule geschoven of de bediende keek verward op.
‘He, dit is vreemd.’
‘Wat is er vreemd?’ vroeg de notaris.
De bediende checkte de papperassen die hij op zijn klembord had liggen en bukte zich toen een tweede keer om de kleine holte in het achterhoofd van de dode jongen te zien. Het was in die holte dat de chips in en uit het hoofd werden gebracht. Maar blijkbaar was er iets mis.
‘Wat scheelt er?’
‘Wel, ik geloof dat er een vergissing in het spel is,’ zei de bediende en nu keek hij niet meer naar zijn klembord, maar wel naar de aanwezigen in de vrieslounge.
‘Welke vergissing?’ vroeg de notaris.
Maggie Kenton hield de lippen stijf op elkaar.
‘Wel, zo te zien is iemand u al voor geweest.
‘Wat?’
‘Ja, er zijn geen hersenen meer uit het hoofd van uw zoon te halen, mevrouw Kenton. Sorry dat ik het zo grof stel, maar… blijkbaar is zijn hoofd al vrijgemaakt voor inplanting van een andere chip. Ik zie hier op de file dat Patricks hersenen al een tijdje geleden zijn verwijderd en opgeslagen in een chip.’
‘Ik geloof mijn oren niet!’ riep de notaris uit.
Maar toen keek iedereen neer op Maggie Kenton. Een andere bediende werd erbij gehaald en die kwam met de gevraagde informatie op de proppen.
‘Ik denk dat alleen mevrouw Kenton het kan geloven,’ zei de eerste bediende. ‘Zij was het immers die de hersenchip van haar zoon Patrick zeven jaar geleden al uit zijn lichaam heeft laten halen. Het staat hier zwart op wit. Ze heeft de hele boel ondertekend. Hier, ziet u haar handtekening?’
Maar niemand was geïnteresseerd in de handtekening. Ze waren allemaal veel meer geïnteresseerd in de verklaring die Maggie Kenton zou geven. Ze wachtte, tot de notaris op zijn knieën voor haar ging zitten en haar vroeg:
‘Is dit waar, mevrouw? Hebt u jaren geleden al de hersenchip van uw zoon laten verwijderen?’
Het was amper te zien, maar ze knikte.
‘Maar… waar hebt u die chip dan laten inplanten?’
Nu knikte ze niet meer. Ze zocht hulp. Maar de enige hulp die haar normaal altijd bijstond in dergelijke situaties was niet aanwezig. De robodog die voortdurend op haar schoot sprong. Het metalen ding met een chip dat ze met plezier en alle liefde van de wereld eten en drinken gaf, was momenteel in herstelling. Langzaamaan begon het tot iedereen door te dringen; de waanzin van dit alles.
‘U zegt toch niet,’ begon de bediende, ‘dat de chip van die arme jongen...’
‘De chip zit in het hoofd van de robodog,’ vulde de notaris aan terwijl hij hoofdschuddend en vol medeleven neerkeek op de zwijgende vrouw. ‘Dezelfde robodog die een eind maakte aan het leven van Stan Kenton. Een robodog kan op zichzelf geen wraak koesteren. Maar een jongen van vijf misschien wel. Tenminste, de initiële instincten en het onderbewustzijn wel. Meer nog, Patrick stak niet alleen een beschuldigende vinger uit naar zijn laffe vader. Hij beet er hem letterlijk af. In de gedaante van een robodog!’
Mevrouw Kenton snikte of huilde nu niet meer. Ze dacht alleen nog maar aan haar lieveling. Haar lieve, kleine deugniet.
‘Mijn schatje…’ zuchtte ze en vol haat zag ze haar echtgenoot weer op het strand staan. Hij hield de slinger in de hand en pestte haar kleine jongen. Hij tergde het kleine wezen dat ze samen ooit liefdevol op de wereld hadden gezet.
‘Ik wilde absoluut niet dat hij het wist,’ lichtte ze toe. ‘Ik wilde niet dat die smeerlap wist dat ons zoontje nog onder ons was. Ik wilde mijn kleine Patrick voor mij en voor mij alleen. Het was de perfecte vermomming. Een perfecte voorlopige vermomming in afwachting van een nieuw lichaam van een andere dode jongen dat we konden gebruiken. Jullie weten allemaal net als ik dat de wachtlijst van donorlichamen oneindig lang is. Niemand zou het merken.’
‘Niemand behalve wij,’ zei de bediende.
Met een druk op de knop schoof de capsule met het lichaam van de dode Patrick terug in de lade.
‘U beseft toch dat dit waanzin is!’ schaterde de notaris bijna.
‘Ik zeg het u: het was maar voorlopig. Tot we een ander kinderlichaam hadden gevonden!’
‘U hebt van uw jongen uw schoothondje gemaakt!’
Hij stond op en stond op het punt om de vrouw door elkaar te schudden. Een moeder! Een menselijke moeder die kouder en afstandelijker was dan de koudste robot. Een egoïstisch wezen dat per se haar eigen zoon bij zich wilde hebben, ook al kon dat dan enkel gebeuren in de vorm van een robodog. De horror! De waanzin! De ellende door de vooruitgang van de mensheid!
‘Ik wil hier voor alle aanwezigen verklaren dat ik onmogelijk akkoord kan gaan met deze gang van zaken,’ zei de notaris gedecideerd. ‘Dit onfatsoenlijke gedrag getuigt van weinig goeie smaak en van een gedegenereerde menselijkheid. Ik wil dit dan ook aanklagen.’
Een van de bedienden vertaalde dit in mensentaal aan Maggie Kenton:
‘U begrijpt dat we dit niet kunnen toestaan, mevrouw. De robodog is in herstelling, zegt u. Van zodra het ding weer beschikbaar is, stel ik voor dat we de chip verwijderen en wachten tot een echt, geschikt mensenlichaam van een andere, dode jongen klaar is. We kunnen zelfs een spoedprocedure regelen zodat u bovenaan de wachtlijst van donorlichamen komt te staan.’
Het begon Maggie Kenton te dagen dat ze geen kant meer opkon. Er was gewoon niemand meer die haar kon helpen. Er was geen Stan Kenton meer, geen Patrick Kenton, en er was zelfs geen robodog meer. Het enige wat ze nog had, was een chip. Een voorwerp, niet groter dan een antiek muntstuk, waarin alle gedachten en herinneringen van haar eigen zoon zat verscholen. Het meest kostbare bezit van alles, dat nu was ingeplant in een robodog.
‘Oké,’ zei ze zacht. ‘Maar ik wil één ding.’
‘Ik denk dat ik voor ons allemaal spreek, als ik zeg dat u in deze zaak nog maar weinig dingen te wensen hebt, mevrouw.’
‘Ik wil mijn robodog houden. Ook zonder hersenchip.’
Iedereen keek naar elkaar. Het bleef even stil in de lounge.
‘U zal zien dat u daar wel anders zal over denken als we eenmaal een ander lichaam van een jongen ter beschikking van de chip kunnen stellen.’
‘Ik wil de robodog houden!’ klonk het fel.
Kon het zijn dat deze dame liever haar zoontje zag verderleven in een metalen machine, dan in het lichaam van een andere jongen? Neen. Ze sprak wellicht de waarheid. Het was een voorlopige actie geweest. Er stierven vandaag de dag wel minder jonge mensen dan in het verleden, maar ze waren niet onsterfelijk. Er waren wel degelijk nog uitzonderingen die het niet haalden en ten onder gingen aan zeldzame ziekten of ongelukken. Het zou maar een kwestie van tijd zijn voor ze inderdaad een menselijk lichaam zouden vinden om de hersenen van Patrick Kenton te laten verderleven.
 
Dat gebeurde een jaar later. Maggie Kenton zat weer op het strand, te genieten van de laatavondzon. Ze zat in dezelfde stoel en keek uit over het strand. Iets verderop liep een gezond jongetje van zes jaar oud zich de ziel uit het lijf. Althans figuurlijk. Hij rende zo hard en probeerde de robodog bij te houden. Het was een nek-aan-nek-race.
‘Wees voorzichtig, he, jongen!’ riep Maggie uit.
‘Ja, hoor, mams!’
‘Zie maar dat je niet struikelt!’
De jongen hield van honden. Hij zag er dan wel helemaal anders uit dan Maggie’s zoon, maar het zat in zijn genen en ook in zijn hersenen. Hij zou zijn hele leven van honden houden, zelfs van robodogs. Maggie Kenton stond op toen ze de jongen een glinsterende bal aan een rekker uit zijn zak zag halen. Het leek op een kleine komeet.
‘Eens kijken of je dit ook kan vangen!’
‘Wat is dat?’ riep Maggie.
‘Een slinger!’
‘Doe dat ding weg, hoor je me?’
‘Rustig, ma, het is maar een slinger.’
De jongen nam de aluminium bal vast en keek toen neer op de robodog. Het beest zat te kwijlen en te kwispelen, alsof het wist dat er een nieuw stukje speelgoed in het spel was gekomen. Als een stier plofte hij zijn voorpoten in het zand, klaar om achter de bal aan te gaan. De jongen staarde in de verte. Toen gooide hij de bal weg en de hond koerste erachter aan.
‘Wow! Moet je hem eens zien gaan, mams!’
Maggie Kenton stopte met glimlachen en stond op. Ze liep op het tweetal af. Ze wist wat er zou gebeuren. Na een paar tientallen meter zou de slinger opeens van richting veranderen. De mond van de jongen zou openvallen en de hond zou even niet weten waar hij het had. Maar als hetzelfde zou gebeuren zoals het eerder was voorgevallen bij haar echtgenoot… Ze wilde haar zoon geen tweede keer verliezen.
‘Let op met die bal!’ riep ze naar de jongen.
‘Hij komt naar me terug, ma. Kijk eens!’
‘Maak dat je wegkomt!’
‘Kijk, ma!’
‘Haast je!’
Maar haar stem verzwakte toen ze zag dat er niets gebeurde. De slinger was al onderweg, maar de robodog maakte enkel een sprongetje omhoog en tastte in het luchtledige. Het was misschien de eerste keer… Maar nadien, zelfs na de zeventiende keer dat de slinger werd weggeworpen, bleef de robodog maar salto’s maken in de lucht, happend naast de bal. De kortsluiting of de fabricagefout binnenin leek voorgoed hersteld. Het maakte niet uit hoeveel keer de jongen de slinger wegwierp, alsmaar bleef de robodog verstomd in de lucht kijken.
‘Kijk eens! Hij snapt er niets van!’ riep de jongen.
En toen begon mevrouw Maggie Kenton te glimlachen. Ze glimlachte en straalde zelfs toen de robodog op zijn gemak en ietwat troosteloos tot bij hen kwam gesloft. De slinger belandde terug in de handpalm van de jongen. Moeder en zoon gingen naast elkaar staan en namen elkaars hand vast. En toen schaterde Maggie het uit want de jongen keek naar de robodog en zei:
‘He, het is de eerste keer dat ik een robodog zie knipogen. Wat ze vandaag de dag toch niet allemaal kunnen!’
 
Suspense Publishing