Bavo Dhooge

Signalen uit de oertoekomst

 
Diger & Swift zaten samen in de schommelstoel op de veranda van hun woning naar de sterrenhemel te kijken en maakten zich klaar om onsterfelijk te worden. Ze waren tien jaar eerder met elkaar in de echt verbonden, ze hadden vijf jaar eerder hun eerste werk gemaakt, maar nu was het moment gekomen dat ze met elkaar vereeuwigd zouden worden. Diger had een stuk ezelslever klaargemaakt en Swift had voor de gelegenheid een oude Atlanta uit het jaar 2087 uit de vriezer gehaald om het te vieren. Naast elkaar gezeten konden ze hun ogen niet van de open hemel houden, alsof ze elk moment hun kindje door het heelal zouden zien passeren.
‘Je spaart hier kosten noch moeite,’ knikte Diger naar de fles.
‘He, je wordt maar één keer in je leven onsterfelijk,’ zei Swift en hij liet de kurk knallen. Het leek op een minuscule lancering in de ruimte. De glazen werden gevuld, er werd gedronken, er werd naar boven gekeken.
‘Vreemd dat wij hier beneden moeten blijven en dat ons kindje daar ergens tussen de steroïden en kometen zweeft, he?’
‘Wij zijn slechts de boodschappers,’ zei Swift, de man van het echtpaar. ‘Maar ik ben allang blij dat we onze boodschap de geschiedenis hebben ingestuurd.’
‘Waar denk je dat het nu al ongeveer zit?’
‘Weet ik veel, ergens tussen Saturnus en Milo?’
‘Waar ligt Milo ergens?’
‘In het andere stelstel.’
Swift haalde zijn schouders op en dronk zijn glas leeg.
‘Weet je, wat maakt het uit? Wij zullen het nooit meer terugzien. It’s out there. Het is uit onze handen.’
‘Ja,’ beaamde Diger, de vrouw. ‘Maar het voelt nog altijd een beetje vreemd aan.’
Toen ze aan de ezelslever begonnen, zei Diger opeens:
‘Weet jij wie er nog is geselecteerd?’
‘Wie bedoel je?’ vroeg Swift. ‘Welke boodschap of welke boodschapper?’
‘Allebei. Hoeveel waren er aan boord van de shuttle?’
‘Geen idee. Dat is geheim. Het enige dat ik weet, is dat wij een van de uitverkorenen waren. En eerlijk gezegd maakt het me niets uit wie er nog in dat schip zit. Ze zullen wel allemaal, stuk voor stuk, hun plaats in de shuttle hebben verdiend.’
‘Maar je moet toch een idee hebben hoeveel het er waren?’
‘Ik weet alleen dat de maximum lading was vastgesteld op vijftig.’
‘Een vijftigtal?’
Swift merkte dat zijn vrouw enigszins ontgoocheld leek door dit cijfer. Het leek wel alsof de zaak daardoor een stuk minder uniek en waardevol was geworden.
‘Waar zit je aan te denken?’
‘Niets. Gewoon, we hadden er misschien meer dan één kunnen sturen.’
‘Neen,’ zei Swift resoluut. ‘Je weet evengoed als ik dat het ging om vijftig verschillende boodschappen.’
‘Wij zijn dus één van de vijftig.’
‘Ja en? Je doet alsof het niet genoeg is.’
‘Heus wel.’
Ze aten rustig in stilte verder. Diger keek nog een paar keer op naar de sterrenhemel, maar het enige wat ze zag, waren de sterren, de drie manen, Venus en het gigantische ruimteschild dat door de Zuidelijke Aliantie was gebouwd. Swift keek niet één keer meer omhoog. Hij wist hoe de zaken ervoor stonden. Ze hadden hun kindje aangeboden en wonder boven wonder was het geselecteerd. Hij herinnerde zich nog hoe ze hun geluk niet opkonden toen ze allebei het nieuws hadden gekregen. Er waren natuurlijk twee kanten aan de medaille, de letterlijke medaille die ze kregen opgespeld. Enerzijds mochten ze zich voortaan dragers van het menselijk ras noemen en zou hun kind de aarde verlaten om andere wezens in het heelal te laten kennismaken met de producten van de mens. Anderzijds hadden ze het moeten afstaan, alsof het ruwweg uit hun handen werd genomen voor adoptie. Ze mochten er niet meer over spreken, niet meer over nadenken en zelfs niet meer over dromen.
‘Ik dacht alleen…’
Swift keek op.
‘Ja?’
‘Ik dacht alleen dat we het misschien anders hadden kunnen noemen.’
‘De naam is niet belangrijk,’ zei Swift.
‘Oh neen?’
‘Ik denk het niet, neen.’
Swift kon zich trouwens goed vinden in de naam die ze voor het ding hadden gekozen. Maar eigenlijk waren ze nu al bezig met de wet te overtreden want ze waren erover aan het praten. De inhoud, de boodschap, de uitstraling en de naam van het kunstwerk die door een Raad van Twaalf werden uitgekozen om de ruimte te worden ingeschoten, waren al een eigen leven gaan leiden.
‘Laat het rusten, liefje,’ zei Swift terwijl hij haar met een hand op haar arm verplichtte om de blik weer naar de aarde te richten. ‘Het is volbracht. We hebben het hoogst mogelijke bereikt wat we konden bereiken. We zijn onsterfelijk geworden; het enige wat ons nu nog rest, is sterven.’
 
Het was een geheime operatie geweest waarbij alle mogelijke partijen van de aarde waren betrokken. Op de raad van Staten van Algemeen Belang was na de nucleaire stofbom die een eind had gemaakt aan de Tweede Geschiedenis, beslist dat de mensen de aarde niet meer onder controle hadden. Daarom werden de meest essentiële kunstwerken of boodschappen, in de vorm van staaltjes van wereldliteratuur, beeldhouwwerken, schilderkunst, fotografie, muziek en nog een half dozijn andere vakgebieden, in een wedstrijd geselecteerd. De selectie bestond uit drie ronden. In een eerste fase mocht elke kunstenaar één werk indienen. Een internationale jury nomineerde uit dit enorme gezelschap een honderdtal werken. Ze deden er zes jaar over. De meeste werken die de longlist hadden gehaald, waren vroeger al eens gehonoreerd als ‘wereldwonderen’. Maar door de nucleaire holocaust van een aantal decennia geleden waren de meesten helaas ook verdwenen en vernietigd. Het was dus een klein mirakel dat het werk van Diger & Swift in de derde en beslissende fase de shortlist had gehaald. Het echtpaar had natuurlijk nog een pak andere ‘kindjes’ gemaakt, maar het was net dàt ene werk dat door de jury waardevol genoeg leek om de galactische grenzen te gaan verkennen.
‘We hebben het gehaald!’ juichte Swift die ochtend toen hem het nieuws had bereikt.
‘Je meent het!’
Diger kon het niet onmiddellijk geloven.
‘Jawel!’
‘Wanneer is het?’
‘Morgenochtend,’ legde Swift haar uit. ‘De lancering vindt morgenochtend plaats.’
‘Morgenochtend al?’
Dat hoorde natuurlijk bij de hele procedure, de hele geheimdoenerij die in stand moest worden gehouden om te voorkomen dat er sabotage in het spel zou komen. Terroristen, spionnen of zelfs ordinaire, gefrustreerde kunstenaars die het net niet hadden gehaald, zouden alsnog roet in het eten kunnen gooien door een van de werken te vermassacreren en uit te schakelen.
‘Mogen we erbij aanwezig zijn?’ vroeg Diger die ochtend alsof het de inwijding van haar eigenste kind betrof. Het echtpaar Diger & Swift had bewust niet voor kinderen gekozen om zich ten volle te kunnen toeleggen op hun kunst. Dit was dan wel geen echte geboorte; het was voor hen het hoogst haalbare.
‘Natuurlijk! We worden verwacht om zes uur ’s ochtends op de basis.’
‘Zes uur ’s ochtends!’
‘Ja zeg, je moet er iets voor over hebben om je vrucht te zien vertrekken.’
De ochtend van de lancering zaten Diger & Swift op de eerste rij op de militaire basis te wachten tot de shuttle ‘ART-ARK 1.0’ zou opstijgen. Het spektakel was ettelijke honderden meters van hen verwijderd, en Diger kon haar geluk en ongeloof niet op toen ze om zich heen keek en de beroemdste kunstenaars en artiesten van de wereld zag zitten. Ze gedroegen zich allemaal als kleine kinderen wiens speelgoed een speciaal plaatsje kreeg in een glazen vitrinekast. Het was de droom van elke kunstenaar: de weg naar de eeuwigheid.
‘Daar gaat-ie dan!’ riep Swift boven het gebrul van de drijvende motoren van de shuttle uit. Hij hield Digers hand vast alsof ze zelf op het punt stonden op te stijgen. Diger kreeg er tranen van in de ogen.
‘Ik kan het nog altijd niet geloven,’ snikte ze.
‘Wat een gevoel!’
‘Ik mis het nu al!’
Een honderdtal genodigden zag vanop de tribunes de shuttle de hoogte inschieten. De Ark, met aan boord ditmaal geen dieren of mensen, maar ‘boodschappen’ sneed traag, maar resoluut door de lucht. Het leek wel even alsof het ding zwaarder was dan een gewone shuttle, ook al was de inhoud eerder symbolisch zwaarder.
‘Daar gaan de vertegenwoordigers van het menselijk geslacht.’
Aan boord stonden de aluminium dozen, netjes opgestapeld, te schudden door de kracht die uit de motoren kwam. Vijftig dozen in een soort bewegend supermuseum dat een samenvatting gaf van de menselijke geschiedenis. Vijftig mensen die voortleefden in het lichaam van hun kunst. Een wonder. Een schip vol wonderen en mirakels.
 
Midden in de nacht, toen Diger & Swift na hun ezelslever in bed waren gekropen, ging de videofoon. Het was Swift die het eerst wakker was en zichzelf liet zien op het scherm. Hij sprak half slaperig tegen een persoon die hem vaag bekend voorkwam: de kolonel die de hele missie had geleid en de ridicule codenaam Beckett gebruikte.
‘Ben ik bij Swift?’
‘Ja, die ziet u nu.’
‘Ben jij Swift?’
‘Ja, dat zeg ik toch.’
‘We zitten met een probleem, Swift.’
Swift keek op zijn vingernagel op zijn rechterhand en las de tijd. Het was twee uur ’s nachts.
‘Wat is er?’
‘Het betreft de shuttle.’
Oh neen, dacht Swift en hij sloot berustend de ogen. De shuttle is onderschept of is tegen een komeet aan gevlogen en alles is naar de maan. Of het was allemaal maar een schijnvertoning, een stukje theater zoals toen men vroeger in een televisiestudio een Mars-landing in scène zette. Maar waarom zou men niet echt een Art-Ark de ruimte insturen? Misschien was de lancering wel echt, maar was de vracht niet echt. Misschien waren het geen kunstwerken die samen de bemanning vormden, maar replica’s. Goedkope imitaties. Kitsch.
‘Wat is ermee? Waar zit de shuttle ergens?’
‘Wel, om kort te zijn,’ zei Beckett. ‘Hij ligt momenteel in een stuk woestijn in Nevada.’
‘Je bedoelt…?’
‘Ik bedoel dat hij is teruggekomen. Een tijdje ging alles goed na de lancering. De shuttle sneed door de atmosfeer als een mes door boter en was goed op weg in een eerste baan om de aarde, maar om de een of andere nog vreemde reden ging het vanaf dan mis. We verloren het ding een tijdlang van onze radar en vingen geen enkel bruikbaar signaal meer op. Het leek erop dat er een fout in het hitteschild van de shuttle was gekropen en dat het hele ding was opgebrand. Maar toen vingen we alsnog een signaal op. Helaas was dat signaal afkomstig vanop aarde. In de woestijn van Nevada, namelijk.’
Swift sloot de ogen en probeerde het zich voor te stellen. De nieuwe shuttle met een exclusieve lading aan unieke kunstwerken, het visitekaartje van Planeet Aarde, gecrasht als de eerste doordeweekse UFO. Een schat die weldra in handen zou vallen van een of andere boerenzoon die het hele geval naar zijn hooizolder zou zeulen en gebruiken om zijn hooi in te stockeren.
‘Dat is balen,’ zei Swift zondermeer.
‘Ik deel dezelfde mening,’ zei Beckett. ‘Maar dat is niet de reden waarom ik je opbel.’
Swift zag in de videofoon hoe de kolonel serieus werd.
‘We hebben de rest van de boodschappers nog niet op de hoogte gebracht van deze mislukking.’
‘Waarom niet?’
‘Het moet geheim blijven. Voor hen en iedereen op deze aardkluit moet het lijken alsof dat schip al voorbij Mars is, op weg om de eerste lifters in het heelal een voorsmaakje te geven tot wat de mensheid in staat is.’
‘Dat is een nobele gedachte,’ zei Swift en hij keek achterom om te zien of zijn vrouw Diger door zijn stem nog niet was wakker geworden. ‘Maar excuseert u mij mijn botheid: waarom vertelt u dit dan wel aan mij?’
Om eerlijk te zijn had Swift liever gehad dat hij de waarheid nooit te weten was gekomen. Voor hem had het leven gewoon perfect door kunnen gaan in de wetenschap dat zijn vrucht daar ergens rondzweefde. Hij nam zich zelfs voor om te liegen tegen Diger en haar niet te informeren over deze hele zaak. Beckett zei:
‘Er is nog iets anders, Swift.’
‘Ik snap het niet. Wat is er nog anders?’
‘Er is ons nog iets aan het licht gekomen wat ons aan het denken heeft gezet.’
‘Wat?’
‘Ik vrees dat ik dit niet zomaar langs de videofoon kan vertellen.’
De stem van Beckett klonk geheimzinnig en dat maakte Swift alleen maar nog meer nieuwsgierig. Hij keek nogmaals achterom.
‘Is dat uw vrouw, Diger, die daar achter u ligt te slapen?’
‘Ja, waarom…’
‘Ik wil me niet moeien, Swift,’ ging Beckett onverstoord verder, ‘maar ik stel voor dat u haar wakker maakt en inlicht over deze hele zaak.’
‘Ik doe nog altijd wat ik wil. Ik ben Swift van Diger & Swift.’
‘Dat klopt, Swift, ik zou het maar doen als ik jou was want dit heeft ook met haar te maken. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel jij maakt haar wakker, ofwel wij maken haar wakker. Ik kan je alleen maar verzekeren dat ze op de tweede manier dubbel wakker zal zijn. Haar ogen zullen opengaan en ik betwijfel of jij dat wel zo leuk zou vinden.’
‘Waar heb je het over?’ vroeg Swift.
Hij voelde zich ineens belaagd. Het gesprek dat was begonnen als een onschuldige mededeling was in geen tijd ongemerkt geëvolueerd naar een soort ondervraging. Alsof hij iets had misdaan.
‘Ik verwacht jullie over zes uur op onze noordelijke basis in New Mexico, Swift.’
‘Wat? Het is midden in de nacht! Ik kan toch niet…?’
‘En breng dus Diger mee. Zij heeft er evenveel aandeel in als jij. Tot straks.’
Aandeel? Welk aandeel, dacht Swift. Hij keek op en zag dat Beckett de verbinding had verbroken. Een zwart scherm staarde hem aan, als een zwart gat van het heelal, en even, heel even, zag hij in gedachten en in zijn verbeelding de Art-Ark voorbijdrijven, half intact, maar ook half kapotgeschoten, waarbij de kunstwerken, waaronder dat van Diger & Swift, een voor een uit de uitlaatklep werden gelost, als overbodige ballast.
Swift begreep er niets van, dus maakte hij zijn vrouw wakker.
 
‘Ik begrijp het nog steeds niet, Swift,’ zei Diger toen ze de laatste seconden alleen in het vertrek stonden. In het holst van de nacht had ze zich moeten aankleden, de roboshuttle genomen en naar een militaire basis gevlogen en dat allemaal zonder dat haar man en zakenpartner haar ook maar iets kon vertellen. De hele weg had hij gezwegen of vage opmerkingen gemaakt. Nu zei hij alleen maar, in afwachting van kolonel Beckett:
‘We zullen het dadelijk weten, schat. Ik weet alleen dat het te maken heeft met de shuttle.’
‘Ze willen misschien dat we nog iets anders inzenden,’ maar terwijl ze het zei, beseften ze allebei dat die hoop voorgoed vervlogen was. Neen, de atmosfeer was anders, donkerder, onheilspellender.
‘Ik zou er niet op rekenen,’ zei Swift.
‘Zou de shuttle al contact hebben gemaakt met iets of iemand?’
Daar had Diger eerlijk gezegd nog niet bij stilgestaan, maar die mogelijkheid bestond wel degelijk. Misschien viel hun werk het meeste in de smaak, of misschien werd hun materiaal of boodschap gebruikt door vreemde wezens om contact te leggen. Een soort kunstwerk dat als tolk of vertaler werkte. Aan de andere kant: er waren nog negenenveertig andere werken die minstens even waardevol waren. Waarom zou hun werk dan die eer te beurt vallen? Diger & Swift waren dan wel ernstige kunstenaars en denkers, ze waren geen goden. Op het moment dat Swift de vraag van Diger wilde beantwoorden, kwamen twee andere personen de ruimte binnen. Het was kolonel Beckett, en hij had een vrouw meegebracht die de eenheid Diger & Swift nooit eerder had gezien.
‘Goeienacht, of moet ik zeggen, goeiemorgen, Diger & Swift.’
Hij keek terloops even opzij naar de vrouw aan zijn zijde.
‘Dit is majoor Ionesco. U zal begrijpen dat ook zij onder een codenaam deze zaak opvolgt. Net als ik.’
Beckett kuchte.
‘En zij is hier trouwens ook aanwezig als getuige.’
‘Getuige?’ liet Swift ontsnappen. ‘Waarom? Wat is hier gaande? Wat is dit hele circus?’
‘Ja,’ stond Diger hem bij. ‘Waarom worden wij hier ’s nachts uit ons bed gehaald en naar hier gehaald? Dit stond niet in het contract. Heeft het iets te maken met de patenten en de copyrights op ons werk? Want als dat het geval is, dan kan u ons niets maken. Wij hebben ons werk afgestaan voor de shuttle en de vlucht, maar de vergoeding kan onmogelijk opwegen tegen…’
Beckett zweeg, maar het was Ionesco die onderbrak:
‘Het heeft daar niets mee te maken. Of tenminste, niet rechtstreeks.’
Beckett schakelde een devies aan en een luik opende zich in de muur. In het luik floepte een raampje open dat bij nader inzicht een scherm bleek te zijn. Diger & Swift zagen een foto op het scherm: een soort ansichtkaart van een stukje woestijn in het nachtelijke Nevada, gemaakt door een satelliet.
‘Dit is de plek waar de shuttle is neergestort,’ begon Beckett.
‘Waar? Ik zie niets.’
Beckett klapte in zijn handen en de foto, een soort polaroid, kwam tot leven. Geleidelijkaan kwamen steeds meer details bovendrijven: het plaatje kwam tot leven met de wind, de zandkorrels die opstoven, een bliksemschicht en ten slotte een gevaarte dat uit de hemel naar beneden kwam gevallen. Majoor Ionesco stapte naar het luik en tekende met een laserstraal een cirkel rond de shuttle.
‘Hier hebben we hem dan.’
Er viel een keurige stilte alsof ze alle vier een begrafenis bijwoonden. Het was Swift die voor het eerst weer begon te spreken:
‘Ja, dat is inderdaad een treurig zicht,’ zei hij. ‘Ik begrijp dat de missie zo te zien is mislukt, maar wat hebben wij daar aan? Wiens schuld is het? Wij hebben er niets mee te maken. Ik kan begrijpen dat jullie er flink mee inzitten.’
Iedereen bleef zwijgen. Diger probeerde een luchtiger toontje:
‘Ik neem aan dat de missie wordt hernomen. Hetzij openbaar, hetzij in het geheim. Wij kunnen in ieder geval een replica maken van ons werk. Als dat gevraagd wordt.’
‘Het wordt niet gevraagd, vrees ik, Diger,’ zei Beckett opeens nors.
Swift herkende het toontje. Hij had het een paar uur eerder via de videofoon nog gehoord.
‘Waarom niet? Is het de beurt aan andere boodschappers? Dat kan ik ook begrijpen, maar we kunnen toch nog altijd onze kandidatuur stellen?’
Op dat moment werd er enkel nog gekeken. Blikken die elkaar niet begrepen. Beckett stapte naar het luik en nam de laserstraal van zijn collega Ionesco over.
‘Luister, Diger & Swift, het komt eigenlijk hier op neer. Uw werk is niet aan boord van deze shuttle.’
‘Wat?’
De twee boodschappers voelden de grond bijna onder hun voeten vandaan schuiven. Ze hadden het toch zelf met hun eigen ogen gezien? Ze hadden gezien hoe hun kist of doos door een paar koeriers het schip werd ingedragen en nadien hadden ze de lancering met open mond aanschouwd. Was dit een cover-up? Misschien was het een poging om alsnog het copyright op hun werk in te pikken.
‘Ik zal me nader verklaren,’ ging Beckett verder. ‘Het is niet uw werk dat in dit schip zit. Het is dezelfde boodschap en het is hetzelfde werk, maar… het is niet van u.’
‘Ik begrijp dit niet,’ zei Diger totaal van de kaart. ‘Waar heeft hij het over, Swift? Ik moet even gaan zitten.’
En dat deed ze. Maar dat weerhield kolonel Beckett er niet van om doodleuk verder te gaan.
‘Het is namelijk niet van u, omdat… wel, omdat deze shuttle niet de Art-Ark is.’
Swift keek de kolonel strak aan, stond op en ging met zijn neus tegen de polaroid staan. Het leek op het eerste gezicht dezelfde shuttle, opgemaakt uit hetzelfde materiaal, uitgerust met hetzelfde logo, dezelfde kleuren, dezelfde opbouw, maar inderdaad, van dichtbij was de naam Art-Ark nergens te bespeuren. In de hoek van het ruimteschip las Swift een andere naam. Hij zei het hardop:
‘NASA. Wie of wat is NASA?’
‘Dat weten we nog niet zeker,’ zei Beckett, ‘maar we vermoeden dat dit een aards toestel is dat al veel eerder de ruimte werd ingeschoten. Aan het materiaal te zien en vooral aan het ouderwetse logboek en de primitieve computerbesturing van de shuttle zelf, gokken we erop dat deze shuttle ergens aan het begin van de 21ste eeuw werd gelanceerd.
‘De 21ste eeuw!’
In geen tijd stond Diger op en rende ze naar het luik.
‘Laat me zien.’
‘We weten nog niet hoe deze shuttle werkelijk heet, maar eigenlijk doet dat er niet veel toe. Het belangrijkste is de inhoud van het schip. En het is hallucinant, maar blijkbaar waren we niet de eerste om een dergelijke missie op te zetten. Lang voor de nucleaire holocaust werd er dus al een shuttle de ruimte ingeschoten, met aan boord een soort inventarisering van het menselijke kunnen.’
Diger & Swift konden het niet geloven.
‘Neen!’
‘Ik vrees van wel. Het hele boeltje: boeken, muziek, schilderijen, beelden, politieke nota’s, de hele klereboel. Je kan je voorstellen dat we ons een aap schrokken toen er in de eerste plaats kort na de lancering een shuttle uit de lucht kwam vallen. Wat zijn de kansen, nietwaar? Wat een toeval! Het is wel alsof het universum het niet kan verdragen dat er twee van die Arken door het heelal zweven. En hoe groot is bovendien de kans dat er aan boord even grote kunstwerken verscholen zitten.’
‘Werd er ooit contact gemaakt door dit schip?’
Swift was de shock voorbij. Het was een eerlijke vraag, maar Beckett en Ionesco beschouwden het als een poging om onder de werkelijke beschuldiging vandaan te komen. Zij wilden bij de zaak blijven.
‘Dat is de juiste vraag niet, Swift.’
‘Oh neen? Wat dan wel?’
‘De enige vraag die wij ons momenteel stellen is waarom er in dit schip, gelanceerd in de 21ste eeuw, al een werk zat dat net hetzelfde is als het uwe.’
Swift glimlachte terwijl zijn partner Diger het nog moest laten bezinken.
‘Ik begrijp het nog steeds niet.’
‘Het is niet moeilijk, Diger & Swift. Het gaat om hetzelfde werk in een ander schip. Een eerder schip.’
‘U beschuldigt ons dus van plagiaat?’
‘Plagiaat, diefstal, er bestaan veel namen voor.’
‘Technisch gezien is het geen plagiaat,’ stond Ionesco haar collega bij. ‘Aangezien we na de nucleaire holocaust geen referenties meer hadden. We zouden in geen honderd jaar zo stom zijn om vergeten natrekken of jullie werk of boodschap al dan niet eerder door iemand anders al was gemaakt.’
‘Wel, als dit geen plagiaat is, wat doen we dan hier?’
Swift verlegde zijn aandacht van het luik met de shuttle naar zijn belagers. Hij voelde het gelijk aan zijn kant.
‘Wij hadden geen besef van het bestaan van een dergelijk werk. Jullie hebben jullie werk grondig gedaan. Wij ook. Voor we eraan begonnen, hebben we overal goed nagezocht of we niet konden worden beschuldigd. En dat kon ook niet aangezien dit eerdere werk blijkbaar al die tijd in een shuttle van NASA in de ruimte zweefde, ontelbare lichtjaren verwijderd van ons werkterrein, namelijk de aarde.’
Beckett kruiste de armen en deed het luik dicht. Onbewust hield hij de laserstraal aan en bewoog hij hem over het lichaam van Swift, al naargelang die zich voortbewoog.
‘We wilden gewoon zeker zijn of u hier niets vanaf wist.’
‘Wat denk je?’ vroeg Swift op het arrogante af. ‘Denken jullie soms dat ik een lijn heb met het heelal en mijn inspiratie haalde uit dat eerste schip?’
Hij keek opzij en lachte naar Diger. Die zei:
‘Ik wist hier alleszins niets vanaf,’ legde ze uit. ‘Echt niet.’
Jij… alleszins…niet? En ik wel, of zo?’
Swift keek Diger aan. Al die tijd dat ze hadden samengewerkt, al die tijd dat ze in de echt waren verbonden, al die werken en boodschappen die ze samen hadden gemaakt, hadden ze elkaar altijd door dik en dun verdedigd. Hoe kon ze er nu als een glibberige pad vanonder proberen muizen en de onschuld zelve spelen? Ze wàs onschuldig. Maar dat was Swift zelf ook!
‘Luister, ik weiger deze aantijgingen zomaar te aanvaarden. Als jullie je zaak niet hard kunnen maken, dan zou ik oppassen of ik smeer jullie een proces voor smaad en eerroof aan je broek!’
Maar Diger leek opeens de kant van de tegenstander te hebben gekozen. Ze keek haar partner streng en onderzoekend aan.
‘Swift… wist jij hier iets van?’
‘Natuurlijk wist ik hier niets van!’
Hij kon het niet geloven! Zij geloofde hem niet meer.
‘We hebben dat werk samen bedacht en uitgewerkt, Diger! Dat weet je toch.’
‘Maar als het waar is wat die mensen hier zeggen, dan…’
‘Het is waar, maar dat is dan maar toeval! Ik kan het toch niet helpen dat ik toevallig krak hetzelfde idee uitwerk als een paar eeuwen eerder al is gebeurd. L’histoire se répète, dat ken je toch. Het is verdomme een van de spreuken die mee aan boord zitten van die shuttle!’
‘U zweert dus dat u niets afwist van deze eerdere boodschap, Diger & Swift?’
‘Verrek, ja!’ riep Swift voor twee.
Hij koesterde al zijn hele leven de vrees om te worden beschuldigd van plagiaat en hij wist dat het moment ooit zou komen dat iemand of iets hem voor de rechter zou slepen, maar de plaats waar hij het wel het minst verwachtte, was wel in een shuttle in een ander zonnestelsel.
‘Het spijt me,’ hield Swift vol. ‘Ik weiger het te geloven. Kan ik de shuttle en het werk van binnen bekijken?’
 
Diezelfde ochtend, enkele uren later, werden Diger & Swift onder hevige bewaking en in het gezelschap van Beckett en Ionesco in de loods geleid waar de gecrashte shuttle van de NASA was opgeborgen. Het schip lag op zijn zij en had een deuk in het dak, maar voor de rest lag het ding erbij alsof het gewoon een steentje tegen de ruit had gekregen. Het was een groot stuk speelgoed. Diger & Swift volgden de kolonel en wachtten tot de sluisdeur werd geopend. Meteen kwam hen een geur van metaal en plastic tegemoet. Eenmaal binnen zagen ze hoe de vracht, de dozen en kisten, veelal intact waren gebleven. Ze waren wat door elkaar geschud, maar voor de rest leek alles nog oké.
‘Jezus Christus!’ zuchtte Swift toen hij eenmaal vergeten was waarvoor hij hierbinnen werd geleid.
Het was alsof ze allebei de grot van Sesame waren binnengedrongen. Ze lieten hun ogen de kost en keken gretig rond.
‘Waar is het?’
‘Wat?’
‘Waar is ons werk?’
Terwijl Diger rondliep, halsstarrig op zoek naar hun eigen boodschap, profiteerde Swift van de gelegenheid om zijn concurrenten te bewonderen. Want, zo had hij al snel en vroeg geleerd: kijk en leer van je collega’s was een belangrijke les.
‘Kijk daar!’
‘Waar?’
‘Is dat de Mona Lisa?’
‘Waar heb je het over, Swift? Ik wil ons werk zien!’
Maar Swift was te veel in beslag genomen door de rijkdom, de schatten van deze shuttle. Beckett en Ionesco lieten het tweetal als kleine kinderen spelen in een kindertuin.
‘Een echte Picasso, de Guernica! Ik heb erover gelezen en gehoord, maar ik dacht dat het maar een legende was. Een mythe, maar kijk, hij ligt hier. En hier, nog meer: de impressionisten, Van Gogh. Jezus, wat een schatkamer!’
Swifts stem overstemde de verschillende andere stemmen die door de verschillende computers waren blijven nagalmen in de shuttle. Een stem dreunde Schuld & Boete op van Dostojevski, een andere stem las Ulysseus van James Joyce voor en nog een andere stem had het over de gedichten van Baudelaire. Ondertussen werd de hele ruimte van de shuttle gevuld met een kakafonie van geluiden: een symfonie van Mahler hield zich kuis en zedig op de achtergrond terwijl het wiskundige patroon van Bach op de voorgrond speelde en de operastem van Maria Callas een cantate van Mozart zong. En zo was deze hele shuttle een onophoudelijke bron van inspiratie, een tehuis voor wereldwonderen. Op de ovale wanden verschenen en verdwenen achtereenvolgens afbeeldingen van schilderijen en overal lagen beeldhouwwerken: de David van Michelangelo en nog veel meer van dat moois.
‘Moet je hier kijken,’ zei Swift toen hij een oud, vergeeld exemplaar van een boek opnam. ‘Hier heb je ons werk.’
Diger was er als de kippen bij om het werk te analyseren. Nu kwam het moment van de waarheid. De twee gedroegen zich als snuffelaars, als beesten die op zoek waren naar een spoor van eten. In werkelijkheid waren ze het hele boek aan het afsnuffelen, op zoek naar hun respectievelijke namen. Maar helaas voor hen, vonden ze die niet terug.
‘Ik zie het niet,’ zei Swift.
‘Dat kan toch niet!’ riep Diger uit. ‘Het moet er toch staan! Heb je goed gekeken? Geef het eens aan mij!’
‘Ik zeg het je, Diger: we staan er niet op.’
Kolonel Beckett trad naar voren en maakte met één druk op een algemene knop een eind aan de kakafonie. Alle stemmen, beelden stierven en doofden uit.
‘Jullie naam kàn er ook niet opstaan, Diger & Swift,’ zei Beckett bijna treurig. Hij klonk alsof hij het zelf eigenlijk wel jammer vond en alsof hij medeleven met de twee kunstenaars had. ‘Dat kan ook niet aangezien deze shuttle ettelijke eeuwen voor jullie bestaan al de ruimte werd ingestuurd.’
Diger & Swift bekeken een laatste maal het werk dat ze lange tijd als hun eigendom hadden beschouwd, en legden het toen, als een heilig schrift, weer neer. Ze legden zich elk op hun eigen manier en op hun eigen tempo neer bij de beslissing van het lot. Ze hadden gefaald. Ze waren de eeuwige tweede geweest; de vrees van elke kunstenaar. Ze waren imitators. De vaststelling was compleet: ze waren niet langer originals.
‘Het zij zo,’ zei Swift. ‘We kunnen er niets aan doen.’
Hij keek schaapachtig op en hoopte dat Beckett en Ionesco hen niet in de boeien zouden slaan. Maar dat was eigenlijk niet nodig. Ze zaten al gevangen. Gevangen in het armzalige bestaan van een gewone sterveling.
 
De volgende nacht was het Diger die door Beckett & co aan de videofoon werd geroepen. Ze kon sowieso de slaap niet vatten. Het mislukken van de missie had haar hele planning overhoop gegooid. Ze hoorde hoe iemand zich aanmeldde op de videofoon en schakelde het toestel aan.
‘Ja? Dit is Diger.’
‘Diger? Beckett hier.’
‘Het is midden in de nacht.’
‘Hoe voel je je?’
‘Hoe denk je dat ik me voel?’ zei Diger. ‘Ik voel me als een verrader.’
‘Je bent geen verrader, Diger,’ hield Beckett vol. ‘Je kon niet anders dan het spel meespelen. Je weet evengoed als ik dat de zaken nu eenmaal zo zijn gelopen. Er zat niets anders op. Je hebt er goed aan gedaan om mee te werken.’
‘Het is niet zo moeilijk om mee te werken als er wordt gedreigd om je carrière te kraken.’
‘Ja, dat hoort er nu eenmaal bij,’ zei Beckett. ‘Je hebt toch niets gelost tegen Swift?’
‘Swift? Neen, die denkt dat hij gewoon weer helemaal opnieuw moet beginnen.’
‘Prima,’ besloot Beckett. ‘Je werk is hier afgelopen, Diger.’
Maar nog voor Diger kon antwoorden, zag ze hoe de ogen van Beckett opeens heel onrustig stonden. Hij leek door haar heen te willen kijken. Toen besefte ze plots dat er iemand achter haar stond! Het was Swift. Hij was wakker geworden door de stemmen en de videofoon. Ze draaide zich in één ruk om. Beckett zei:
‘Dag Swift.’
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Swift duidelijk en op slag klaarwakker. Hij kwam naast Diger postvatten voor de videofoon en richtte zich expliciet tot Beckett.
‘Waar had hij het over, Diger?’ vroeg Swift. ‘Wat bedoelde hij met je werk? Welk werk zit erop? Waar heeft hij het over? Ons werk?’
Diger zocht steun in de videofoon, maar Beckett kon haar niet helpen. Hij was op een aanzienlijke afstand van haar verwijderd. Hij kon alleen maar richtlijnen geven.
‘Dit gaat tussen Diger en mij,’ hield Beckett vaagweg vol.
‘Alles wat Diger aangaat, gaat ook mij aan.’
‘Wel, dit is een van die dingen die je niet aangaan.’
Swift keek Diger aan. Wat was ze aan het doen? De gebeurtenissen van de voorbije dagen hadden een diepe indruk op hem nagelaten. Het leek toch allemaal een beetje té toevallig. De shuttle die met hun werk aan boord de ruimte werd ingeschoten, gevolgd door de crash van een tweede, eerdere shuttle met hetzelfde werk aan boord, door iemand anders gemaakt. En nu dit…? Was ze een of ander plannetje aan het smeden? Swift dacht terug aan de verdachtmakingen die Diger een paar uur eerder nog had gemaakt. Er was geen twijfel over: ze speelde onder één hoedje met Beckett en co. De vraag was alleen: waarover ging het? Had het te maken met het copyright op het werk en was dit een list om de naam Swift buitenspel te zetten? Plots werd het hem teveel en in één beweging zat zijn hand rond de keel van Diger. Diger slaakte een gil en zocht steun in de videofoon.
‘Ik denk dat het me wel aangaat, Beck,’ zei Swift. ‘En ik zal je nog eens iets zeggen: ik wil weten wat hier aan de hand is. Waarom bel je hier midden in de nacht mijn partner uit bed en laat je mij rustig uitslapen?’
‘Swift… hou je rustig,’ probeerde Beckett de gemoederen te bedaren.
‘Ik bèn rustig,’ zei Swift. ‘Maar ik wil weten wat jullie hier aan het bekokstoven zijn.’
‘Swift…’ zuchtte Diger met het laatste beetje lucht dat haar nog restte.
Maar Swift drukte harder door en voelde de slagader in haar keel tussen zijn vingers. Hij zag haar gezicht bloedrood worden.
‘Swift, je gaat je eigen vrouw toch niet vermoorden?’
‘Ik wil het weten! Ik geef je tien seconden om me in te lichten! Of anders knijp ik haar keel dicht.’
Hij gunde Diger, zijn vrouw, nog een laatste blik.
‘Je mag dit gerust beschouwen als een stopzetting van ons partnership, Diger!’
 
Suspense Publishing