--Vervolg Verhalen uit de oertoekomst --
Een uur later had Swift hen zover gekregen dat ze werden opgepikt door een roboshuttle die hen in geen tijd weer naar de militaire basis bracht. Beckett en Ionesco stonden hen al op te wachten, op krak dezelfde plek als een half etmaal tevoren. Het leek wel een replay, een heruitzending of een herhaling.
‘Wat is dit?’ zei Swift terwijl hij Diger langzaam voor zich uitduwde in de richting van de shuttle. Hij hield een warmtepistool in haar rug gedrukt en dreigde ermee haar tot as te verpulveren als ze ook maar één centimeter zou wijken.
‘Kom binnen, dan vertellen we je alles wat je wil weten,’ begon Beckett.
Hij hield de sluisdeur open en liet Diger & Swift binnentreden. Ze bevonden zich in dezelfde shuttle waarvan ze eerst hadden gedacht dat het de Art-Ark was, maar die bij nader inzien een oude shuttle van de NASA was.
‘Wat is de bedoeling hiervan?’ vroeg Swift op zijn hoede.
Hij stelde zich de vraag of ze hem hier in deze shuttle soms zouden vermoorden en de ruimte insturen, een handige oplossing om zich te ontdoen van een lijk. Zo konden de mogelijke buitenaardse wezens een autopsie op hem uitvoeren om te weten hoe het menselijk lichaam in mekaar zat. Swift bewoog zich behoedzaam voort en schuurde met zijn rug tegen de ovale wand.
‘Waarom hebben jullie ons hierheen gebracht?’
‘Ik dacht dat je de waarheid wilde weten?’ vroeg Beckett ernstig.
‘Ja, en liefst zo snel mogelijk. Wat zaten jullie daar onder mekaar te bokstoven? Heeft het iets te maken met het copyright op ons werk?’
Beckett keek Ionesco aan, alsof hij permissie vroeg om de waarheid te vertellen.
‘Wil je echt de waarheid weten, Swift?’
‘Ja!’
‘Hier heb je je waarheid.’
Beckett ging midden in de shuttle staan en hief de armen de lucht in.
‘Kijk eens goed om je heen, Swift! En ontdek de waarheid. De echte waarheid!’
‘Waar heeft hij het over?’ zocht Swift steun bij Diger.
Maar die keek treurig naar beneden en durfde hem niet langer aan te kijken.
‘Hier!’ riep Beckett en hij wierp Swift een boek toe.
Swift ving het exemplaar op, een oud, ingebonden boek met lederen kaft en las de titel van het werk. Het betrof, hoe kon het ook anders, een sterk staaltje van wereldliteratuur, een van de menselijke wonderen:
‘Het Verzameld Werk van Franz Kafka,’ las hij hardop.
‘Er bestaat geen betere manier om de menselijke natuur te leren kennen dan het werk van Franz Kafka,’ proclameerde Beckett ineens.
‘Ik begrijp het nog steeds niet,’ zei Swift. ‘Ik ken dat werk al. We hebben over Kafka geleerd in de instituten. Zijn werk is grotendeels verloren gegaan tijdens de nucleaire holocaust, maar gelukkig zijn de studies over hem bewaard en heeft men alles bijna nauwkeurig kunnen reconstrueren…’
‘Ja, ook dat kunnen we als de beste,’ zei Beckett.
Maar toen kwam de kolonel naast Swift staan en fluisterde hem in het oor:
‘Maar kijk nu eens naar het jaar van uitgave, Swift.’
‘Wat?’
‘Het jaar waarin die prachtige verhalen en werken van Kafka voor het eerst op de mensheid zijn losgelaten.’
Swift begreep er geen snars van. Hij draaide het boek om, zocht een datum, vond er geen en opende het toen. Gretig begon hij het werk te doorbladeren, tot hij uiteindelijk, ergens helemaal achteraan het werk, naast een register, inderdaad de datum van publicatie zag staan. Toen keek hij op naar Diger en liet op slag het hele ding uit zijn handen vallen. Het kwam terecht op een van de dozen. De plof klonk door de echo in de capsule als een atoombom.
‘Dat kan niet!’ prevelde Swift.
‘Snap je nu wat de waarheid inhoudt? Snap je nu de impact van deze ontdekking?’
‘Dit is… onmogelijk!’
Swift keek ongelovig op naar Diger.
‘Het jaar 322 voor Christus?’
Diger knikte alleen maar. Swift probeerde woorden te vormen, betekenissen te geven aan dit nieuwe gegeven, maar hij kon niets uitbrengen. Dit ging zijn petje te boven. Wat betekende dit eigenlijk? Hoe kon Franz Kafka zijn werk bij elkaar hebben geschreven in het jaar 322 voor Christus? De man leefde aan het begin van de 20ste eeuw!
‘Dit is een grap, he?’
‘Ik vrees van niet, Swift,’ gaf Beckett te kennen.
‘Franz Kafka leefde in het begin van de 20ste eeuw. Die datum op het werk is fake.’
‘Hier is niets fake, Swift. Dit is nog maar het begin. Kijk maar eens goed rond. Je zal zien dat dit slechts het topje van de ijsberg is.’
Stap per stap begon Swift zich door de kleine capsule voort te bewegen. Hij stootte tegen een paar aluminium kisten, raakte een paar beelden aan, tot hij uiteindelijk door de knieën zakte en een voor een de aantekeningen, de notitieboeken begon te doorbladeren waar de schetsen van de grootste, beroemdste beeldhouwwerken op waren gebaseerd, de dagboeken van de belangrijkste schrijvers.
‘Hars Babel!’ vloekte Swift. ‘Dit kan niet waar zijn!’
Hij keek de werken door, ging onmiddellijk op zoek naar de datum van uitgave en wierp de werken een voor een weg, alsof het prullen waren.
De Nachtwake van Rembrandt!’
Swift staarde ongelovig naar de datum die onder de vele laagjes verf tevoorschijn was geschraapt.
‘Het jaar 322 voor Christus! Dit is een werk uit de Middeleeuwen!’
‘Dat dachten we ook allemaal,’ zei Beckett toonloos. ‘Welkom in de wondere wereld van de werkelijkheid, Swift.’
Het was er allemaal, maar het was er allemaal met een andere datum dan oorspronkelijk gedacht werd. Het jaar 322 voor Christus was blijkbaar de standaarddatum, alsof een of andere grappenmakker als een graffiti-artiest die datum als zijn handtekening had gebruikt.
‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg Swift.
‘Het betekent dat dat de originele datum is van alle schilderijen in deze capsule. Het betekent dat de originele geschriften en boeken dateerden uit 322 voor Christus en het betekent dat zowat elk kunstwerk in deze capsule geconcipieerd en gemaakt is in het jaar 322 voor Christus.’
Swift voelde de grond onder zijn voeten vandaan glijden. Hij ging languit op de koele vloer liggen en probeerde zich te beschermen met een paar boeken.
‘De beeldhouwwerken van Rodin en Michelangelo zijn gemaakt over een basismodel dat al dateert uit 322 voor Christus, de zeefdrukken van Andy Warhol bedekken een origineel doek dat dateert uit 322 voor Christus, ik weet niet hoe ik dit anders kan zeggen, Swift, maar het ziet ernaar uit dat jullie niet de enigen waren, Diger & Swift, die plagiaat pleegden.’
‘He?’
Swift kroop langzaam overeind en staarde naar een sonnet van William Shakespeare uit Romeo & Julia.
‘Je bedoelt dat iemand als William Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft verzonnen, maar heeft gebaseerd op eerdere ideeën, die dateren uit het jaar… 322 voor Christus?’
‘Zo ziet het ernaar uit, ja.’
‘Je bent gek, Beck!’
‘Ik dacht het ook eerst en ik wou dat ik gek was, maar de hele wereld was gek genoeg om te geloven dat het allemaal originals waren. Maar al die tijd, al die jaren, al die eeuwen waren het mensen die ergens anders de mosterd hadden gehaald.’
Swift probeerde het te weerleggen, maar Beckett legde hem met één opmerking het zwijgen op:
‘Ik kan je de moeite besparen, Swift. We hebben tijd genoeg gehad om alles fatsoenlijk na te kijken. We hebben er de hele machinerie bijgehaald: scanners, röntgenstralen, microchips; dat alles om er honderd procent zeker van te zijn dat die werken inderdaad al zo oud kunnen zijn. En wat blijkt: alles stamt uit die periode. Alles dateert uit het magische jaar 322 voor Christus.’
Swift begon opeens te lachen, harder en harder, tot hij bijna meer lawaai maakte dan de hele kakafonie van geluiden en concerten samen.
‘Je wilt me dus wijsmaken dat al die mensen door de eeuwen heen, al die wetenschappers en onderzoekers, al die kunsthistorici, het bij het verkeerde eind hadden?’
‘Neen,’ zei Beckett. ‘Die hadden het bij het juiste eind. Die mensen dachten dat ze een originele Monet onder ogen kregen of een authentiek vers van Dante te lezen kregen, maar ze wisten van niet beter. Wat ze zagen en waarmee ze te maken kregen waren reproducties. Dit zijn de echte originele werken, Swift. De reproducties staan nog altijd in de musea waar ze thuishoren en waar de gewone mensen ze kunnen bewonderen. Voor hen blijven het nog altijd de grote wonderen van de mensheid, maar wij weten wel beter.’
‘Ik kan het nog steeds niet geloven,’ zuchtte Swift en meteen zocht hij hulp bij Diger. ‘En jij wist hier van?’
Diger zei:
‘Ze hebben me ingelicht over de zaak toen ik aangifte deed van ons werk.’
‘Hars Babel!’ riep Swift weer uit. ‘Dit is de grootste grap uit de menselijke geschiedenis! Wat jullie hier dus de ruimte insturen voor onze vriendelijke groene mannetjes zijn geen kunstwerken, maar de ultieme mop! Eén gigantische cover-up! Eén grote, verborgen schuilplaats van grote ideeën die al in het jaar 322 voor Christus beschikbaar was en door de eeuwen heen beetje bij beetje werd geraadpleegd en geplunderd door de zogezegde grote genieën van onze tijd.’
‘Ja, het kost een beetje tijd om het allemaal te vatten,’ lachte Beckett grimmig.
Het wàs ook hallucinant.
‘Waar lag deze schat van ideeën dan al die tijd verborgen?’
Swift dacht meteen weer aan de grot van Sesame, de verborgen schuilplaats vol glitter en goud die nu een andere betekenis kreeg. Een gigantische oercomputer die diende om de wereld gedurende duizenden jaren te laten geloven dat de mens het centrum van de wetenschap en de kunstwereld was.
‘Ik bedoel: hoe hebben jullie al die dingen hierin verzameld? Waar lagen ze dan? Ik snap het nog altijd niet. Waarom het jaar 322 voor Christus? Wie heeft dit dan allemaal bedacht als het niet Shakespeare, Verdi, Tolstoi en konsoorten was?’
Maar zonder het zelf te beseffen stelde Swift twee vragen die hetzelfde antwoord hadden. Beckett deed er een tijdje over om het ultieme antwoord te geven.
‘De vraag is het antwoord, Swift.’
‘Waarom?’
‘Deze werken hebben deze shuttle nooit verlaten. We hebben alles hier gevonden.’
‘Hoe bedoel je?’
‘We hebben deze shuttle ergens gevonden en verhuisd naar deze basis. Maar tot voor kort lag hij keurig verborgen ergens op een plek waar weinig mensen komen. Je kan begrijpen dat ik hier niet teveel aan je neus kan hangen. Het enige wat ik je nog kan meegeven is dat dit allemaal, de crème de le crème van de menselijke inventiviteit, eigenlijk één grote leugen is. Het kwam als een pakketje noodvoedsel uit de hemel gedropt. Letterlijk.’
Swift liet het allemaal even bezinken. Pas na enkele seconden drong de werkelijke betekenis van deze laatste woorden tot zich door.
‘Uit de hemel? In 322 voor Christus?’
Beckett knikte en de tijd kwam voor Ionesco om over te nemen.
‘We hebben deze shuttle door en door onderzocht, Swift. Jij dacht eerst dat dit de Art-Ark was die we net de hemel hebben ingeschoten? Wel, wij dachten eerst dat dit een shuttle van de NASA was die ergens aan het begin van de 21ste eeuw werd gelanceerd. De waarheid ligt nog verder dan die twee mogelijkheden. De derde en enige juiste gedachte is… dat dit geen mensenwerk is.’
Swift schudde halsstarrig het hoofd en probeerde deze duivelse shuttle te verlaten, maar Beckett versperde hem opzettelijk de weg. Diger zei:
‘Ik heb je nog gezegd dat hij dit niet zou aankunnen.’
‘Het kost tijd,’ zei Beckett, ‘maar hij zal het wel moeten snappen.’
‘Dit is geen mensenwerk. Deze shuttle is geen mensenwerk en aangezien geen van deze werken ooit van boord is gegaan, betekent dat ook dat geen van deze werken door een mens is bedacht of gemaakt.’
Het ontbrak Swift alsnog aan enige energie om te lachen. De moed zonk hem in de schoenen. Hij voelde zich voor het eerst in zijn leven heel moedeloos. Dit ging niet meer over zijn positie als kunstenaar en over zijn eigen werk; dit omvatte zoveel meer. Het grote geheel; het hele kunnen van de mens werd hierdoor in vraag gesteld. Meer nog: het werd niet alleen in vraag gesteld; de illusie werd doorprikt als een lege luchtbel. Deze grote geesten waren geen kunstenaars geweest, het waren leden van een geheim genootschap geweest, zoals de vrije metselaars, die gestolen hadden.
Beckett zette de kers op de taart en liet Swift de ruimte om de shuttle te verlaten. Maar die stond aan de grond genageld.
‘Zie je, Swift, we denken namelijk dat deze shuttle niet door ons, maar door iets of iemand anders de ruimte werd ingestuurd. En toevallig kwam hij hier bij ons op aarde terecht. In het jaar 322 voor Christus. Het is eigenlijk ironisch: al die tijd dat we probeerden contact te leggen met buitenaards leven via onze grootse geesten, hadden zij al veel eerder contact gelegd door hun grootse geesten, zoveel eeuwen eerder. In het jaar 322 voor Christus. En hun grootse geesten leefden verder in het werk dat door onze zogezegde grote geesten werd opgepikt.’
‘Dit kan je voor geen geld ter wereld aan de rest van de wereld verkopen,’ zei Swift.
‘Dat weten we,’ antwoordde Ionesco. ‘Maar dat zijn we ook niet van plan. We willen niets verkopen. We willen alles houden zoals het is. Deze werken hier in deze shuttle, de replica’s in de museums en de mensen die geloven dat de mens een genie is.’
Swift keek alles en iedereen een voor een aan. Nu werd hij pas echt jaloers op Diger. Zij had dit alles al veel eerder geweten dan hij. Zij wist al hoe de vork in de steel zat toen ze aan hun eigen werk begonnen, in de overtuiging dat ze het warm water hadden uitgevonden. Die andere verlichte geesten en kunstenaars waren tenminste niet zo naïef als hij geweest. Ze hadden zich gewoon lid gemaakt van een geheime organisatie en hadden ingevingen op bestelling gekregen. Hij, Swift, was de enige die werkelijk dacht dat hij een original was die een origineel werk op de been had gebracht. En misschien maakte dat van hem wel de grootste kunstenaar van allemaal. In ieder geval voelde hij geen spijt jegens zijn naïviteit.
‘Wat nu?’ vroeg hij schijnbaar casual.
‘Wat nu? Heel simpel. We hebben je de ogen geopend, Swift. Alles is al eens eerder gedaan, veel eerder en niet door de mens, maar door een buitenaardse kracht. Het zet je wel aan het denken, neen? Het minste wat je kan zeggen is dat het de dingen in een heel ander daglicht stelt. Je leert veel sneller relativeren.’
‘Wat willen jullie dan dat ik doe?’ vroeg Swift venijnig. ‘Je verwacht toch niet dat ik hierdoor stop met werken? Je denkt toch niet dat jullie hierdoor mijn kracht en inspiratie kunnen ontnemen? Want dan heb je het mis. Dit heeft het omgekeerde effect, jongens. Dit zet me niet alleen aan het denken, het daagt me ook uit. Ik kan misschien de eerste mens op deze hele verdomde aardkloot zijn die een eerste, echt magistraal kunstwerk uit zijn mouw tovert. Zonder te moeten stelen.’
‘Ach zo.’
Beckett en Ionesco voelden de bui al hangen en keken elkaar aan. Diger zei:
‘Swift, schat. Zou je hier niet eens rustig over nadenken? Alles even laten bezinken.’
‘Neen!’
Beckett zei:
‘Ik zie je denken, Swift, en ik hoop dat ik niet denk wat jij denkt te denken, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik zou het heel spijtig en heel jammer vinden mocht je deze ‘ontdekking’ gebruiken als idee om een werk of boodschap rond te maken. Dat zou pas heel onverstandig zijn. Oké, het zou een verrekt prachtig idee zijn en het zou je eigen, oorspronkelijk werk worden, maar het zou je wel eens heel wat meer kunnen kosten dan gewoon bloed, zweet en tranen.’
Beckett liet het zo doordringend mogelijk klinken. Maar Swift trok er zich niets van aan en stapte over de kisten, de gevallen beeldjes, de gescheurde boeken en de versplinterde schilderijen naar de sluisdeur van de capsule. Hij probeerde ze te ontgrendelen, hield zijn duim voor de infraroodstraal, maar niets werkte.
‘Laat me hieruit, Beck!’
‘Ik vrees dat ik dat niet kan doen, Swift.’
‘Ik moet aan het werk.’
‘Jij hebt je deel van het werk gedaan, Swift.’
Swift draaide zich om en zag hoe zijn ex-partner Diger aan hun kant was gaan staan. Het was drie tegen een. Swift wist dat zijn rol in dit stuk was gespeeld. Er was geen uitweg meer. Hij zat alweer gevangen. Dit keer gevangen in het web dat de nepkunstenaars hadden gesponnen.
‘Je begrijpt dat we je niet kunnen laten gaan als je dit naar buiten wil brengen.’
‘Ik wil het gebruiken om…’
Maar voor hij zijn zin kon afmaken, werd Swift zelf afgemaakt. De hete, brandende laserstraal uit Ionesco’s warmtepistool trof hem recht in het gezicht en hij vloog met een zinderende snelheid tegen een van de luiken waarachter een paar oorspronkelijke grottekeningen stonden afgebeeld. De laatste gedachte van Swift leek de hele capsule te vullen. Diger knielde naast hem neer en ving de woorden op:
‘Er zal ooit wel iemand opstaan en dit onrecht goedmaken.’
En terwijl hij het zei, besefte Swift, net voor hij het ultieme zwarte gat op zich afkomen, dat hij eigenlijk, ironisch genoeg, het hoogst haalbare had bereikt. De kunstenaar zou sterven, maar zijn werk zou voortleven, tot in de eeuwigheid want zoals het ernaar uitzag, zouden ze hem hier achterlaten, begraven of bevriezen in een van de kokers waar misschien ook de poppen gevangen zaten met de kleren van Chanel, die eigenlijk al in 322 voor Christus ontworpen waren. In die zin zou Swift niet in wezen van zijn werk, maar in de gedaante van de mens, de enige mens, deel uitmaken van deze schatplaats. Want behalve de werken, de ideeën en de boodschappen was er ook plaats voor de bedenker: de mens en die mens werd vertegenwoordigd door het lichaam van… Swift. Hij had geen idee of het moment ooit zou komen dat deze shuttle terug de ruimte zou worden ingeschoten. Wie weet zou het wel overwogen worden, om de grote schande en de grote doofpotaffaire alsnog af te wenden. Hoe groot zou de verbazing dan niet zijn wanneer het buitenaardse wezen opnieuw zou worden geconfronteerd met zijn eigen godvruchten die hij op aarde had gedropt? Er zou in ieder geval een extraatje bij ingesloten zitten, namelijk een afgietsel in de vorm van een lijk van een echte menselijke kunstenaar. Geen plagiaat-pleger, maar een original.
‘Wat doen we nu?’ vroeg Diger toen ze opstond en nog een laatste keer neerkeek op het lijk van Swift.
‘Je weet wat de regels en de afspraken zijn, Diger. Je rept met geen woord over deze zaak. Als je wil, kunnen we je wel in ruil voor je stilzwijgen een van de zeldzame ideeën geven uit 322 voor Christus die vooralsnog nog nooit zijn uitgewerkt. Je zal er veel succes mee oogsten. Het is een kleine prijs die je moet betalen voor een grote beloning, Diger. Stel je eens voor: de grote Diger, een moderne Da Vinci, maar dan de eerste vrouwelijke grote geest.’
Het zette Diger even aan het denken, net zoals het haar al zoveel nachten aan het denken had gezet. Het was even wennen aan de gedachte dat ze voortaan zonder Swift aan het werk zou gaan, maar inderdaad… het was een kleine prijs voor haar stilzwijgen.
‘Ik had nochtans gedacht dat dit werk, ons werk van Diger & Swift, een origineel werk was.’
‘Tja,’ zei Beckett luchtig terwijl hij en Ionesco het lijk van Swift opnamen. ‘Het is net als alles verloren gegaan na de nucleaire holocaust. Het is een goed werk, Diger. Daar hoef je niet aan te twijfelen, maar het is al een keertje eerder gemaakt. Niet alleen in de NASA-capsule, maar dus ook hier, in 322 voor Christus.’
Diger knikte overtuigd en hield zich bezig met haar eigen werk in te pakken. Ze nam het werk waar zij, Diger & Swift, zolang hadden aan gezwoegd, en waarvan Swift overtuigd was dat ze een vernieuwend baanbrekend werk hadden tot stand gebracht. Het was een dik boek, in leer gebonden, het zag er mooi uit, het was ook fantasievol geschreven, vol leuke boodschappen, vanuit verschillende perspectieven. Maar zoals Beckett al zei: het was al eens eerder gebruikt. Dus legde Diger het werk in een kist. Ze keek nog één keer naar de titel die in het boek was gegraveerd:
Het Nieuwe Testament.’
En toen schoof ze voorzichtig het deksel over de kist.
Swift had gelijk: ooit zou er iemand opstaan die dit onrecht ongedaan zou maken. Een soort Messias die, lang na 322 voor Christus, dit werk van fictie in realiteit zou inhalen.
 
 
Suspense Publishing