Hellevanger


Midden in de nacht wordt Rachel Saunders wakker, bebloed en verward, in een donker woud. Ze blijkt amnesie te hebben en kan zich niet herinneren wat er de afgelopen weken met haar is gebeurd. Dan krijgt ze last van pijnlijke nachtmerries over een gevleugeld hellewezen. Zijn het enkel dromen, of herinneringen aan haar mysterieuze verleden?


Fragment

Wat is wakker worden?
Waar ligt de grens
tussen droom
en werkelijkheid


1

Onmerkbaar ga je die grens over en ontwaak je. Je laat een wereld achter je en keert terug naar je eigen bestaan. Even is er nog het niets tussen beide werelden, een grauwe sluier, daarna weet je dat je wakker bent. Je geest neemt het heft in handen. Als de zon die de duisternis verdringt.
Ook zij werd wakker. Ze ging de grens over tussen droom en werkelijkheid. Daarna gebeurde er iets vreemds. Het bleef donker. En ze voelde pijn. Vlakbij hoorde ze water klateren. Ze had geen idee waar ze was.
En ze wist niet wie ze was.
Ze probeerde na te denken.
Er kwam niets. Geen automatisch weten wat haar naam was en wat ze hier deed. Ze greep naar haar hoofd. Haar vingers streken over bloed, leek het, en een warm kloppende bobbel een buil. Haar lange haar viel over haar schouders. Ze droeg een blouse, daar overheen een korte jas. En ze had een spijkerbroek aan.
Wat was er gebeurd?
Het leek alsof ze het moest weten. Dat was vanzelfsprekend, niet dan?
Tot haar verbazing kwam er nog steeds niets. Meer dan bevreemdend was het angstaanjagend. Weer wreef ze over die buil en keek rond in het donker, waarin niets te zien was. Het enige dat ze hoorde was het water, vermoedelijk van een beek.
Wat is er met mij gebeurd?
Die vraag werd opeens heel belangrijk en verdrong de pijn. Om er een antwoord op te krijgen moest ze weten wie ze was. Haar hart begon sneller te kloppen. Pas toen kwam het besef dat haar rechterarm vreemd, gevoelloos onder haar rug lag. Met haar vrije linkerhand duwde ze zich wat omhoog. Duizeligheid spoelde door haar heen, toch ging ze rechter zitten en raakte haar rechterarm aan, kneep erin. Alsof het de tak van een boom was, er zat geen enkel leven in. Het was of ze iemand anders betastte. Niet zichzelf. Niet
Sandy? Christine? Lucy? Joanne? Roberta?
Ze zocht naar een naam. Er kwam geen naam die klonk alsof hij van haar kon zijn. Misschien heette ze Sandy of Christine of Roberta, maar ze durfde werkelijk niet te zeggen of dat zo was.
Er kwam gevoel terug in de arm.
En een pijn die door merg en been ging, haar deed happen naar adem. Ze beet op haar lippen, een schreeuw opgesloten in haar keel. Maar ze schreeuwde nog niet. Wel kwamen er tranen, en een hees mompelen.
Shit, shit, shit.
Haar eerste woorden, uitgesproken tegen niemand, in een vreemde wereld, waar ze om onverklaarbare redenen in terecht was gekomen. Haar gewonde arm tegen zich aan geklemd zat ze daar in foetushouding en even verdween weer de wereld, waarin ze pas net wakker was geworden een nevelsluier trok voor haar ogen en ze meende dat ze zou wegglijden in een land van dromen en nachtmerries.
De pijn begon weg te trekken. Wat bleef was een zeurend kloppen en ze begreep dat de arm op zijn minst behoorlijk gekneusd was.
Het klateren van water. De wind die over haar gezicht streek.
Weer iets dat ze voelde, de wind was bitterkoud. Verder weg ritselden bladeren.
Het was nacht, ze lag aan een waterkant en ze was alleen.
Alleen?
Dat was mogelijk als ze door eigen toedoen in deze situatie verzeild was geraakt. Was dat zo? Ook daar had ze geen idee van. Ze keek verder om zich heen. Achter haar vormloze schaduwen, van struikgewas, planten en bomen.
Ze huiverde, vanwege angst en de kou, die steeds venijniger beet en haar tot op het bot verkilde.
Daarna ging ze staan. Dat wil zeggen, ze deed een poging. Haar benen hielden haar niet overeind en ze viel neer zorgvuldig op de goede linkerarm. Er was ook iets mis met haar benen.
Wat was er niet mis met haar?
Nog een poging op te staan en dit keer lukte het beter. Wankelend stond ze en had geen flauw benul waarheen ze zou moeten gaan.
Aarzelend maakte ze enkele stappen. Heel voorzichtig en behoedzaam, om niet opnieuw te vallen, over glibberige keien, zonder dat ze een steek voor ogen zag, voetje voor voetje, schuifelend. Haar voeten werden nat en dat kwam omdat ze in het water was gaan lopen. Ze draaide zich om en daar was de schaduw van een helling. Even keek ze ernaar, toen begon ze omhoog te klimmen. Ze deed dat gedachteloos, haar hoofd vol verwarring, alsof ze nog droomde. Misschien was dat het. Misschien was ze gewoon niet wakker geworden.
Alleen was ze wel wakker, in de buitenlucht, midden in de nacht, door God en iedereen verlaten.
Maar was ze alleen en verlaten?
Er was de pijn. Had ze zichzelf verwond? Lag niet voor de hand. Hoewel, het kon natuurlijk. Misschien was ze gevallen van dezelfde heuvel die ze nu aan het beklimmen was.
Haar naam was ze kwijt, haar verleden. Alles.
Maar ze had een verleden en een naam.
Langzaam klauterde ze verder omhoog. Takken van struiken raakten haar gezicht. Ze duwde die opzij, keek omhoog, de zwarte hemel in, en kwam uiteindelijk boven aan. Ze tastte rond, greep in dennennaalden, bladeren, zand en steentjes.
Ze voelde zich klein, nietig. Haar rechterarm zeurde weer meer nu, en haar hoofd
Eigenlijk was haar hoofd het ergste. Er bleef een troebele mist in hangen, net of ze dronken was. Helder denken lukte niet.
Vlakbij ritselden opnieuw bladeren.
Wie
Met een klap hield ze haar mond. Verschillende dingen waren tegelijk door haar heengegaan. Ten eerste opnieuw de vrees dat er iemand was, samen met haar in het donker. Misschien meer mensen. Anderen die iets met haar gedaan hadden.
Maar wat? Was het de bedoeling geweest dat ze helemaal niet meer wakker was geworden, had iemand haar om het leven willen brengen? Als dat zo was en haar vijand of vijanden waren nog in de nabijheid, waarom vertoonden ze zich dan niet om het af te maken?
Wie weet zijn ze weg, hebben ze me voor dood achtergelaten.
Ze staarde om zich heen. Er bewoog niets, het was nu stil. Enkele meters voor haar doemden boomstammen op.
Demi, Fiona
Nee, die namen waren het ook niet. Tenminste, ze deden geen belletjes rinkelen. Ze greep in de zakken van haar jas. Niets. Daarna graaide ze in haar broekzakken. Links iets kouds, metaal. Het leken sleutels. Sleutels? Op welke sloten zouden die passen?
En waarheen moest ze gaan? Dit kon een bos zijn dat zich mijlenver uitstrekte. Welke richting was de goede?
Nog eens keek ze om zich heen, kon zich niet voor de geest halen dat ze hier eerder was geweest, kon niet eens terughalen dat ze eerder waar dan ook was geweest. Het was of een hand haar onder water hield en ze snakte naar lucht, naar herinneringen.
Ze sloot haar ogen een moment, probeerde na te denken, wat kon er gebeurd zijn, waarom was ze wakker geworden onderaan die helling, aan het water dat ze nog steeds hoorde klateren, wat
Er kwamen geen beelden van gebeurtenissen.
Strompelend liep ze verder. Bijna meteen viel ze in een struikgewas. Een stap terug, een andere kant op. Takken knakten en bladeren knisperden onder haar voeten. Op de tast ging ze verder. Haar hoofd vreemd leeg.
Ze maakte een misstap. Haar linkervoet raakte op de een of andere manier haar rechterhak. Uit balans gebracht tuimelde ze naar voren, zwaaide vergeefs naar iets om zich aan vast te houden. Met haar handen brak ze haar val, alleen had dat tot gevolg dat andermaal een striemende pijnscheut afgevuurd werd. Haar rechterarm zond giftige pijlen naar haar hersenen. Ze siste, hield haar geteisterde handen omhoog, wreef over de gekwelde arm, wachtte tot de pijn minder zou worden.
Toen dat gebeurde krabbelde ze opnieuw op en ging verder in deze wereld die echt was, en dat steeds maar niet leek te zijn. Niet scheen te kunnen zijn. Elke stap vooruit was een aanslag op haar beenspieren. Hoe ver kon ze gaan voor ze zou neervallen om daarna niet meer op te staan? Haar lichaam eiste rust en haar hoofd antwoorden, maar beide kon ze niet geven. Iedere keer wilde ze ermee ophouden en telkens stapte ze toch verder. Haar keel begon ook zeer te doen. Ze wilde drinken, water.
De vreemde wereld veranderde opnieuw. Weg ebde het besef dat ze wakker was, enkel de droom bleef. Ze dacht niet meer na over wie ze was en wat er met haar gebeurd was. Het enige dat bleef was het rare gevoel dat haar geest gescheiden werd van haar lichaam. Haar lijf en leden hoorden er niet meer bij. Ze gleed door de duisternis als een spook. Dat was wonderlijk. Soms liep ze tegen bomen aan en voelde dat niet eens. Andere keren struikelde ze en zelfs haar rechterarm deed daarbij geen pijn meer. Op de tast ging ze verder en verder. In deze wereld bestond geen daglicht. Ook waren er geen dorpen en steden. Alleen maar bos en duisternis.
Af en toe bleef ze staan. Dan ging ze weer door, haar mond open. De strakke, ijzige bries werd steeds kouder. Ze vouwde haar handen en blies in het kuiltje tussen haar vingers. Het baatte niet, ze kreeg het niet warmer, toch bleef ze blazen. En ze bleef verder gaan, steeds weer nieuwe stappen vooruit. Tot duizeligheid haar deed wankelen.
Ineens kwam alles tegelijk.
Angst. Uitputting.
De instorting, lang uitgesteld. In haar hoofd stak een soort van windvlaag op, die haar deed trillen. Vervolgens viel ze andermaal en dat was geen eigen besluit. Haar lichaam gaf een brevet van onvermogen af, kwam in opstand en nam het roer over. Plotseling kon ze niet verder. Het laatste was dat ze op haar knien naar de dichtstbijzijnde stam kroop.
Daar plantte ze haar rug tegen, sloeg de armen om haar benen en maakte zich zo klein mogelijk.

Over het werk van van Jack Lance schreefMaxim, 's werelds grootste mannenblad: 'Spanning in de traditie van Stephen King'.

Thriller
Roman / 2007 / 300 blz
Prijs: 14,95 (geen verzendkosten)

Verkrijgbaar in de boekhandel ofonze shop: www.suspenseshop.com.



Back
 
Suspense Publishing